Het ontstaan van de RWB

Toen de fiets in Nederland meer en meer gemeengoed begon te worden en de overheidsbemoeienis met de fiets dienovereenkomstig ging toenemen, kwam ook een belasting op fietsen aan de orde. Frankrijk, waar de fiets ook populair was, had op dit terrein reeds het voorbeeld gegeven. Op 15 augustus 1869 stelde een Frans Kamerlid reeds voor een belasting van 50 franc per jaar te heffen op het bezit van een fiets. Dit voorstel werd door de regering niet overgenomen, maar werd in 1890 opnieuw aan de orde gesteld. In februari 1893 werd door de Chambre des Députés met 300 tegen 175 stemmen een desbetreffend wetsvoorstel aangenomen Het bezit van een fiets werd belast met 10 franc per jaar per fiets. 
In Nederland was de belasting op fietsen aanvankelijk geen zaak van het rijk maar van gemeenten en provincies. Zo werd in 1895 in de gemeenteraad van Enschede een voorstel ingediend om een rijwielbelasting van zes (6) gulden per jaar per fiets te heffen. Ook in andere gemeenten, bijvoorbeeld in  Amsterdam, Rotterdam en Groningen werd voor een dergelijke belasting gepleit. In de provincies Noord-Brabant en Limburg werden pogingen ondernomen om een provinciale belasting in te voeren.
Het regende protesten tegen de voorgestelde maatregelen en de A.N.W.B. werd ingeschakeld om aan de protesten kracht bij te zetten. Er waren ook voorstanders bij het publiek, aangezien ook paarden en trekhonden belast werden. Er werd zelfs gewezen op het feit dat 1900 jaar voor Christus in Irak honden en geiten een soort belastingplaatje in de vorm van een kleitablet om hun hals moesten dragen.

In een ingezonden brief in “De Kampoen” van 15 maart 1895 werd ondermeer het volgende commentaar gegeven:
“Wanneer wij zien volgens welke grondslagen belasting geheven wordt, hoe een aantal minder onontbeerlijke zaken dan rijwielen belast worden, dat een blindeman belasting moet betalen voor de hond, die hem rondleidt en het arme visvrouwtje de tol niet kan passeren zonder enige centen af te dragen voor het wagentje met kleine visjes, waarmee zij haar brood verdient, dan zou het toch al te onbillijk en hardvochtig van ons, wielrijders, zijn om uitvluchten te zoeken ten einde ons aandeel in de algemene kosten
  niet te dragen. Is het paard met hetwelk de landbouwer ploegt voor hem niet even nuttig en noodzakelijk als het rijwiel voor de kramer of de comis.voyageur, die per fiets zijn bedrijf op het platteland uitoefent? Geeft het  quipage, waarmee hij toert, aan de gefortuneerde rentenier niet evenveel genoegen als het rijwiel aan de wielrijder, die uitsluitend toert voor zijn vermaak of ontspanning? Waarom dan de ene categorie van zaken belast en het rijwiel vrij gelaten? Nee, de wielrijder die deze kwestie niet uitsluitend beschouwt van zijn egoïstisch standpunt van gemakzucht en zuinigheid, zal moeten erkennen, dat, ofschoon ’t minder aangenaam moge zijn, een billijke belasting op de rijwielen niet zo schreeuwend onrechtvaardig is als sommige ’t wel willen doen voorkomen. Maar wij leggen de nadruk op het woordje “billijk”, want een belastingwetgever, die in ’t blinde weg alle rijwielen, zonder enig onderscheid belaste, zou zich aan een grote onbillijkheid schuldig maken. En over deze aangelegenheid wil ik een enkel woord schrijven, nu in Noord-Brabant het voorstel nog geen wet is en ’t dus nog niet te laat is er de onbillijkheden uit te  verwijderen.”

De tijden liggen al ver achter ons, dat alleen enige gefortuneerde mensen het rijwiel als een lux voertuig gebruikten; de wielrijders worden thans bij duizenden geteld en volgens raming der Gedeputeerde Staten bedraagt hun getal in Noord-Brabant alleen meer dan tweeduizend. Daaronder zijn honderden, die het rijwiel gebruiken ten behoeve van hun bedrijf of beroep. Ik herinner slechts aan de statistiek die vele jaren geleden zijn gepubliceerd (een statistiek, die met gebrekkige hulpmiddelen was samengesteld en dus op langena het ware cijfer niet aangaf) en waaruit bleek, dat toenmaals al meer dan 1500 personen in ons land hun rijwiel voor hun bedrijf of beroep gebruikten: een cijfer, dat op zijn minst verdubbeld moet zijn. Zie maar eens op het platteland, waar al onze gebruikte solids en cushions naar toegaan, het groot aantal boeren, dat per rijwiel marktwaarts trekt!

Welnu, aangezien een landbouwer voor zijn werkpaard lager in de belasting wordt aangeslagen dan de eigenaar van een luxepaard, omdat hij het gebruik bij de uitoefening van zijn bedrijf; aangezien de eigenaar van een trekhond om dezelfde reden meestal de helft belasting betaald, dan de eigenaar van een luxehond; op deze zelfde grond mag men ook verwachten, dat hij die zijn rijwiel gebruikt voor zijn beroep of bedrijf niet voor f 5.- maar voor minder zal worden aangeslagen, dan hij, die alleen wielrijdt voor zijn vermaak of gezondheid.

Een tweede punt, waarop men bij deze belasting zijne aandacht zal moeten wijde, is het rijwiel, dat in het bezit is van onze militaire wielrijders. Men weet, dat de  officieren van de bereden wapens zijn vrijgesteld van belasting voor hun dienstpaarden. Welnu, om dezelfde reden zal men ook geen belasting kunnen (ja, ook misschien wel niet mogen) heffen van onze militaire wielrijders voor zover het hun dienstrijwiel geldt; het geval is precies het zelfde. Ten slotte zal men ook om de positie van de rijwielhandelaar moeten denken, die uit de aard van hun bedrijf altijd tijdelijk in het bezit zijn van meerdere rijwielen, en dus ook niet voor de gehele voorraad moge worden aangeslagen.
Omdat de gemeentelijke en provinciale voorstellen en beslissingen inzake een fietsbelasting een chaos dreigen te worden, werden van rijkswege op dit gebied initiatieven genomen. Dit paste geheel in de nieuwe opzet van een personele belasting die door Minister Mr.N.G. Pierson werd voorbereid, waarin hij vooral het draagkracht-element wilde verwerken.

Zo werden in de nieuwe wet rijwielen, motorrijtuigen, pleziervaartuigen en biljarten aan de reeds bestaande lijst van belastbare bezittingen toegevoegd. Het  tweede kamerlid jhr. Mr. J.W. Rutgers van Rozenburg had op 20 november 1895 door een amendement reeds aangedrongen op het invoeren van een algemene rijksbelasting om de eenvormigheid van bestaande regelingen in de hand te werken en “opdat de provinciën en gemeenten geen opcenten zouden kunnen heffen”. Hij vond hierin steun bij andere parlementariërs zoals De Savornin Lohman, Haffmans, Ferf en Hartogh. Het wetsontwerp dat hiervan het gevolg was werd op 9 juni 1898 (Pierson had toen reeds het veld moeten ruimen)  met 51 tegen 20 stemmen aangenomen en werd op 14 juli van dat jaar (1898) in het Staatsblad (no. 181) gepubliceerd.

Deze eerste landelijke fietsbelasting werd gekoppeld aan de personele belasting en werd geheven “wegens het houden hier te lande, van rijwielen, die op den openbare weg worden bereden”. Van fietsen die in een rijwielschool of andere besloten ruimte werden gebruikt, werd dus geen belasting geheven, terwijl zij die een fiets huurde ook geen belasting behoefden te betalen. Bij de debatten over het wetsontwerp was onder andere gevraagd wat men onder een rijwiel diende te verstaan. Het hoofdmerk van de fiets achtte men “dat het een voertuig is, waarbij de voortstuwende kracht  uitgaat van de berijder”. Geen belasting werd geheven op “rijwielen voor de publieke dienst door personen die daartoe verplicht zijn en rijwielen  uitsluitend of hoofdzakelijk gebezigd voor de uitoefening  van het bedrijf van ondermeer van een besteldienst.

Een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad van februari 1904 wees hierop nog eens. “Thans, nu het rijwiel officieel in het leger is ingevoerd, en  bij iedere troepenafdeling militaire wielrijders zijn ingedeeld, en officieren zijn aangewezen om deze op te leiden, nu zelfs aan officieren van gezondheid en van art.-materieel vergoeding voor onderhoud in vervoermiddelen wordt verstrekt en gaande weg het gebruik van rijwielen ten goede der militaire oefeningen komt, en dus  Rijksbelang daarmee wordt gebaat, nu brengt de billijkheid alleszins mede, dat daarmee ook in de wetgeving rekening wordt gehouden. Op dien gronde wordt het o.a. zeer gewenst geacht, in art. 31 der wet op de personele belasting alsnog paragraaf 3 te doen aanvullen met:
c. dienstrijwielen van officieren. (onder “dienstrijwielen” wordt verstaan: rijwielen, eigendom van de officieren, hetwelk door hen ook gebruikt worden ten bate van oefeningen, diensten enz.,  een en ander zonodig ter beoordeling van de betrokken bataljonscommandant”.
In de wet van 1898 werd de fiets duidelijk als een “kenmerk van welstand” gezien. Een arbeider betaalde f 0.50 per jaar, ieder andere fietser f 2.50, terwijl een fietensenverhuur f 1.50 moest betalen plus opcenten. In het eerste jaar bracht deze belasting in totaal f 207.754.73 op. In 1900 werden geregistreerd 104.206 eenpersoons rijwielen, 472 fietsen voor meer personen, 3254 fietsen bij verhuurders en 5296 bij handelaren, in totaal dus 112.228 fietsen, waarbij met het ontduiken van de aangifte geen rekening is gehouden. Van 1903 tot 1912 nam het aantal belaste fietsen toe van 174.848 tot 608.568: de grootste stijging werd genoteerd bij de groepen arbeiders en wel van 55.161 tot 288.688.

De tarieven werden in de loop van deze jaren aangepast, zodat voor een éénpersoons fiets f 2.- en voor een fiets voor meer personen f 4.- moest worden betaald. Er is bij deze wet sprake geweest van het invoeren van een rijwielkaart, waaruit moest blijken dat de betrokken houder van het rijwiel aan zijn belastingplicht had voldaan. Deze wielrijderskaart is nooit in praktijk gebracht. De wet is tot 1919 gehandhaafd. In het laatste heffingsjaar bedroeg het aantal belastbare fietsen, ongeveer 861.500.
Er waren uiteraard wel eens moeilijkheden over de interpretatie van de wet.

In “De Kampioen” van 4 november 1904 worden wij ingelicht over zo’n geval dat voor de rechtbank in Leeuwarden kwam. “Wie moet de belasting voor een rijwiel betalen, de eigenaar of de gebruiker? Op deze vraag werd dezer dagen door de Arr.Rechtbank te Leeuwarden geantwoord. Het betrof de 31 jarige koopman K.P., te Hallum, die van tijd tot tijd een rijwiel bereed, dat zijn vader toebehoorde en na gemaakt gebruik te diens huize werd geborgen. Door de ontvanger der directe belastingen tot betaling aangemaand, weigerde hij die, op grond dat hij noch eigenaar, noch houder van het rijwiel was. De rechtbank deelde niet in deze mening en veroordeelde hem wegens overtreding van art. 13 der wet van 14 juli 1898 tot een geldboete van f 10.- of tien dagen hechtenis. De eis was f 100.- geldboete.
Aparte vermelding uit deze periode verdient een speciale belasting die in de provincie Noord-Brabant werd geheven en wel door middel van een wegenkaart. Deze in 1908 ingevoerde belasting was geen heffing op de fiets, maar op het gebruik van provinciale wegen. Het aantal wegen was in Noord-Brabant bijzonder klein en de provincie wilde hieraan het nodige gaan doen Om aan geld te komen werd daarom een belasting geheven op het gebruik van provinciale wegen om met deze gelden het wegennet te kunnen uitbreiden. Hiertoe werd een verordening opgesteld, waarbij in art. 3 werd gesteld dat de belasting bedraagt:

  1. voor elken ezel, rund of hond waarmede als trekdier in de loop van het dienstjaar van den weg gebruik wordt gemaakt: f 4.50
  2. voor elk paard, muildier of muilezel, waarmede van den weg gebruik gemaakt wordt: f 18.-
  3. voor elke rijwiel, niet zijnde een motorrijtuig in de zin der motorrijtuigenbelastingwet, waarmede van den weg gebruik gemaakt wordt; ingericht voor twee of meer personen f 4.-, ingericht voor één persoon f 2.50.

Iedere fietser, die zich buiten de deur begaf, had te zorgen dat hij zich van een rood/roze kaart had voorzien, die door de Griffie van de Provinciale Waterstaat in Den Bosch werd afgegeven tegen de genoemde betaling. Het belastingjaar van deze kaart liep van 1 mei tot en met 30 april daar op volgend. Omdat juist de kleinere verbindingswegen provinciale wegen waren, kon men met goed fatsoen geen gebruik van de fiets maken zonder op een provinciale weg terecht te komen. Bij het aanvraagformulier werd een kaartje van de provincie gehecht waarop het verschil in wegen (rijkswegen, provinciale wegen en gemeentewegen duidelijk was aangegeven. Op de weggeldkaart werd bovendien framenummer en merk vermeld om ontduiking van deze belasting tegen te gaan. Speciale commiezen waren met de controle belast. Wie wel een kaart bezat, maar deze toevallig niet bij zich droeg, werd wel bekeurd, maar kon door binnen 24 uur zijn kaart bij het desbetreffende politiebureau te tonen, de bekeuring weer ongedaan maken. Vrijstellingen werden verleend aan woonwagenbewoners en kleine handelaren. Ook waren vrijgesteld degenen die aan een politieambtenaar of commies “op diens eerste vordering kan aantonen, dat zij de zetel van hun bestuur of  hoofdverblijf niet binnen de provincie hebben”.

 Op 1 mei 1940 werd deze Brabantse verordening opgeheven. Het positieve resultaat hiervan is geweest, dat Noord-Brabant in het bezit kwam van een groot aantal provinciale wegen, waaronder zeer vele kilometers fietspad. Van 1919 tot 1924 hebben fietsers in Nederland, met uitzondering van die in de provincie Noord-Brabant, belastingvrij kunnen rondrijden.

Nieuwe belastingvorm   “Colijnsorde”

Een belasting die vele tientallen jaren niet meer wordt geheven, maar die bij vele oudere Nederlanders nog sterk in de herinnering leeft vanwege het roemruchte belastingplaatje; de “Rijwielbelasting”. Door de eeuwen heen is onze overheid steeds bijzonder vindingrijk geweest in het aanboren van nieuwe bronnen van inkomsten. Om slechts een greep te doen van de belastingen die werden geheven zijn; zout, turf, tabak, dienstboden, biljarten, tabakspijpen, speelkaarten, dobbelstenen, deuren, vensters, vermakelijkheidsbelasting, ondertrouwbelasting, forensenbelasting, hondenbelasting (de katten zijn steeds de dans ontsprongen), omzetbelasting en de inkomstenbelasting. Andere landen deden in dit opzicht niet voor ons onder om de nood der schatkist te beantwoorden.

Wat ging eraan vooraf

Bij Koninklijke boodschap van 28 januari 1924 werd het “ontwerp van wet tot heffing eener belasting op rijwielen” aan de Tweede Kamer aangeboden. Een eenvoudig wetje van 12 artikelen. De rijwielbelasting zou geheven worden van rijwielen die op de openbare weg bereden worden en geheven door middel van een merk, geschikt om aan het rijwiel bevestigd te worden, die van ’s Rijkswege tegen betaling van een jaarlijkse belasting van f. 3.- zal worden uitgegeven.

In   1924  kwam   minister   van  financiën,  Dr. H. Colijn,  in  de publiciteit  met een nieuwe vondst die hem in staat moest stellen de benarde financiële positie van het Koninkrijk Der Nederlanden te verbeteren. In Staatsblad nummer 306 van 2 juli 1924 kondigde de minister van Financiën een wet af die de geschiedenis     is   ingegaan     als   “Rijwielbelastingwet”.  De belastingopbrengst  voor dit eerste belastingjaar was niet minder dan f.5.330.247.-. Enkele jaren later werd ook de autorijder door de fiscus ontdekt als mogelijke bron van inkomsten. De opbrengst van onder ander deze twee belastingheffingen werd in 1934 gestort in

een verkeersfonds. De belasting van

fietsers, autorijders, tram en treinpassagiers kwam in een grote pot en daar werd de aanleg van auto, spoor en tramwegen uit betaald. Trouwens ook de inkomsten en uitgave van het Rijk van en voor de burgerluchtvaart liepen via dit fonds.

Het Rijwielplaatje 

Zoals reeds eerder gemeld, de rijwielbelasting heeft een eigen geschiedenis. Deze rijwielbelastingplaatjes zijn herboren niet als belastingmiddel, maar als verzamelobject. Door de groeiende belangstelling van dit verzamelobject is er zelfs een catalogus gemaakt; hierover straks meer. Het eerste en alle andere rijwielbelastingplaatjes, dat het opschrift RWB 1924 Nederland droeg, werd door ’s Rijks Munt te Utrecht  gemaakt in een aantal van 1.776.749 stuks. Het werd verplicht op 1 augustus 1924, maar volgens de voorschriften werden overtreders van de wet gedurende de eerste 8 dagen van augustus nog niet bestraft maar liet men (opsporingsambtenaren) het bij een waarschuwing. Spoedig na de eerste uitgifte bleek dat de plaatjes  op een aantal plaatsen werden nagemaakt en te koop werden aangeboden voor f. 0.75 per stuk. Dit had tot gevolg dat de tweede uitgave, geldig voor het belastingjaar 1925 nogal sterk afweek zowel van gravure als metaalsoort. Nadat de geldigheidsduur van het rijwielplaatje 1928 was verlopen werd  de  wet  op enkele punten  gewijzigd. De aankoopprijs van f. 3.-,  zoals  dat  de  voorgaande jaren was gesteld, werd teruggebracht  tot  f. 2.50  en  vanaf  1929  zouden  er  steeds twee jaartallen op de plaatjes voorkomen. Maar de (on)kosten voor het vervaardigen van de rijwielplaatjes bleven knagen aan de schatkist. Zo werd er voor het belastingjaar 1935/36 een officieel ontwerp gemaakt van een nikkelen houder waarin een papierenplaatje   jaarlijks   verwisseld   zou   kunnen   worden.  Het  is  echter bij het ontwerp gebleven en is nooit  in omloop gebracht.

Vindingrijkheid

De Nederlanders zijn ook, gezien de aanschafprijs van het rijwielbelastingplaatje, in die tijd op de proef gesteld en hun vindingrijkheid werd niet onder stoelen of banken gestoken. Er werd allerlei trucjes bedacht om maar buiten het voor die tijd grote bedrag van f. 2.50 te blijven. Zo kwam men op het idee om van een bokkingvel (gerookte makreel) een afdruksel te maken van het plaatje van dat geldende jaar. De lederen    hoesjes, die waren ontworpen voor het dragen op den bovenkleding, leende zich daarvoor uitstekend. De lederen hoesjes hadden een niet helder doorzichtig mica raampje. Het heldere plastic van nu bestond toen nog niet.

Diefstal

Ook de diefstallen waren niet van de lucht. Om dit te voorkomen werden er diverse uitvindingen gedaan, o.a. naaminslag in het plaatje, een koplamp met een uitsparing en diverse soorten metalen houders voor bevestiging om de stuurstang. Ook de wielrijder zelf ging in de strijd tegen diefstallen, door de plaatjes op allerlei plaatsen vast te solderen. In die tijd werd er ook aan sociaal werk gedaan n.l. bestrijding van  Tuberculose “TBC fonds”. Vanuit deze vereniging hield men inzamelingen van het niet meer geldige belastingplaatje. Dit deed men o.a. door het plaatsen van grote bussen bij de kantoren van uitgiften van nieuwe belastingplaatjes.

Koos Speenhoff

Het verzet tegen deze vorm van fietsbelasting is groot geweest en het belastingplaatje bleef steeds zeer impopulair. De liedjeszanger Koos Speenhoff uitte dit in een van zijn liedjes:

 

“Weg die rijwielplaatjes-handel

Weg die dure gapperij

Voor wie schrale lonen beuren

En toch veel uit trappen gaan

Is de vrije fiets een wonder

Dat wel in de krant mag staan”.

De bezetting

Na  de Duitse  inval van 10 mei  1940 was van een doeltreffende controle  echter  niet  meer  mogelijk.   De  hier  te  lande  zijnde NSB   heeft  met  zijn  propaganda  tegen  deze  belasting (druk) vroegtijdig een einde aan deze belastingvorm gemaakt.

Verzamelaar

Van   de   in   totaal   51.179.649   stuks   in   omloop   gebrachte rijwielplaatjes  zijn er zeker niet zoveel bewaard gebleven, maar het is wel zo dat er een groeiende belangstelling hiervoor bestaat en het verzamelen hiervan steeds grotere vormen gaat aannemen. Dit heeft aanleiding gegeven tot het vervaardigen van een catalogus op dit gebied met opname van een grote verscheidenheid aan informatie, o.a. alle afbeeldingen van de plaatjes, aantallen, formaten ontwerpers, belastingopbrengst, enz., enz.. Er bestaan drie uitvoeringen van rijwielbelastingplaatjes, allen vanaf 1924 t/m 1940/41 in de gewone uitvoering, in de uitvoering met een uitgeponst gat erin en met een uitgeponste ster. Vanaf  1934/35 t/m 1940/41 zijn er ook met een naaminslag. Belangrijke wetenschap voor de verzamelaar is; er bestaan er 3 x 17 stuks en met naaminslag, 1934/35 (door Zonnestraal) (Geen naaminslag van het plaatje 1935/1936) en vanaf 1936/37 t/m 1940/41 (door A.V.O.)  Dus  totaal  59  plaatjes  om  de  verzameling  kompleet  te  hebben.

De catalogus “Het Nederlandse Rijwielbelastingplaatje” is voor de verzamelaar een handig hulpmiddel op A5 formaat, hoe zijn verzameling uit te breiden en te onderhouden.

NOOT:  De inwoners van de provincie Noord-Brabant betaalde in de periode van de “Nederlandse wetgeving – Rijwielbelasting” (1924 – 1941) als men gebruik wilde maken van provinciale wegen in Nrd. Brabant, een dubbele rijwielbelasting. 1 x voor fietspaden langs of nabij een provinciale weg en 1 x voor de Nederlandse schatkist

Voorgaand; in de periode van heffing rijwielbelasting via de personele belasting waren er diverse gemeente die een eigen vorm van rijwielbelasting inde of gaande waren deze te innen.