Regelingen betreffende de toepassing der Rijwielbelastingwet.

———————

24 oktober 1924

———————

Ter kennis van de ambtenaren der Rijks- en gemeentepolitie is gebracht, dat door den Minister van Financiën de onderstaande mededeelingen zijn gedaan in verband met de vragen aangaande de toepassing der Rijwielbelastingwet.

Transportrijwielen, al of niet met afneembare bak (z.g. carriers), zijn volgens het spraakgebruik als rijwielen te beschouwen en vallen onder de toepassing der Rijwielbelastingwet. Indien het stuur dezer rijwielen niet uit een buis bestaat en de inrichting van het rijwiel niet toelaat op de voorgeschreven zichtbare wijze het rijwielmerk aan de balhoofdbuis of de bovenbuis van het rijwiel aan te brengen, moet het belastingmerk niettemin aan het stuur bevestigd worden.
Driewielige rijwielbrancards kunnen gelijk gesteld worden met de van belasting vrijgestelde rijwielen, genoemd in art. 4. letter b. der wet (invaliden-driewielers), uit overweging, dat het zou strijden met den zin dier bepaling, indien zij niet werd toegepast wanneer de gebruiker van het rijwiel door zijn gebrekkige toestand dit niet zelf kan voortbewegen, doch daartoe de hulp van een ander behoeft.
Wanneer een op de voorgeschreven wijze aangebracht rijwielbelastingmerk bedekt is door een kleedingstuk, mand of ander voorwerp, behoort het opmaken van proces-verbaal te worden nagelaten, doch den berijder van ’t rijwiel moet worden opgemerkt, dat hij het aan zich zelf te wijten heeft, indien hij tot stilhouden mocht worden gedwongen zijn. Zoolang het tegendeel niet is beslist, moet evenwel worden aangenomen, dat een rijwielbelastingmerk, dat bedekt is met een laag lak (veroorzaakt door het lakken van het rijwiel) waar doorheen de kleur van het merk niet zichtbaar is, niet overeenkomstig het voorschrift van art. 2 der wet aan het rijwiel is bevestigd. Evenmin is dit het geval indien het merk op een zoodanige wijze is bevestigd, dat het middengedeelte of een der helften door het bevestigingsvoorwerp is bedekt. Een merk waarvan een stuk ontbreekt, is niet als geldig aan te merken.
Het is geoorloofd het merk door middel van een riempje, touwtje, metalen draadje of dergelijk hulpmiddel aan het stuur van het rijwiel te hangen, zulks met het oogmerk het bij niet gebruik van het rijwiel gemakkelijk daarvan te kunne verwijderen.
Het uitleenen van merken is geoorloofd, behalve van die, welke kosteloos zijn verstrekt; deze mogen enkel door den aanvrager worden gebezigd.
Buitenlanders, die in het bezit zijn van een kaart Rijwielbelasting No. 4, mogen daarmede herhaaldelijk de grens overschrijden, zonder dat zij haar geldigheid verliest. Er bestaat bezwaar tegen het doen afgeven bij elke binnenkomst van een nieuwe kaart, daar de grensontvangers hierdoor noodeloos van ander werk worden afgehouden.
De geldigheidsduur eener zoodanige kaart is niet beperkt tot het tijdperk van 3 maanden na den dag der afgifte, daar immers slechts wordt vereischt, dat de bezitter telkens niet langer dan 3 maanden achtereen hier te lande vertoeft; van een eenmaal afgegeven kaart kan zoolang overigens niet de grond van vrijstelling van belasting is vervallen, gedurende het geheele kalenderjaar gebruik worden gemaakt.
Buitenlanders behooren met betrekking tot de uitvoering der Rijwielbelastingwet, zoo weinig mogelijk te worden bemoeilijkt. In het algemeen kan een nauwgezette controle op de naleving der wet worden beperkt tot die buitenlanders, waarvan bekend is, dat zij voor hun beroep of om andere redenen geregeld binnen het Rijk komen.

 

RIJWIELBELASTING   BEGROOT   OP  5  MILLIOEN.

———————-

19 december 1924

———————-

De Minister van Financiën heeft er voor 1925 nu maar een rond cijfer van gemaakt en de opbrengst der rijwielbelasting begroot op 5 millioen. Deze raming is, schoon 2 millioen hooger dan waarop aanvankelijk werd gerekend, toch nog te laag.
Want er werd reeds tot 1 November bijna een kwart millioen meer ontvangen. Daar komen dan nog November en December bij en bovendien kan veilig worden aangenomen, dat in 1925 door nog heel wat menschen rijwielbelasting zal worden betaald, die het in 1924 “zonde” vonden voor een halve jaar en het er maar lieten op aan komen.
Het is geen kunst om naast de ministerieele begrooting er eene te leggen die 10 pct. Hooger is en stellig meer in de nabijheid van de werkelijkheid.
Nu ja – zal men allicht op het Departement van Financiën zeggen – tien procent, ’t zou ook wat !  Niet meer dan een half millioentje.
Gelukkige plaats, waar halve millioenen bagatellen zijn, quantités négligeables, bedragjes om niet van te spreken.
Maar wij, gedwongen wel om meer op de kleintjes te passen, leggen hier eventjes   vast,  dat   de  fiscus  in  1925  
vijf en  een half millioen  gulden van de wielrijder alleen te verwachten heeft.
Die dus, hebben zij te een of anderen dag wenschen in het midden brengen, wel met bijzondere égards mogen worden behandeld.