1923/1930

 

NIEUWE ROTTERDAMSCHE COURANT

  Donderdag 1 November 1923  

=================================================

Ingezonden Stukken.

  Geachte Redactie. Met groote verwondering nam ik kennis van de door Min. Colijn voorgestelde Rijwielbelasting, waaruit z.i. een bedrag van circa 3 á 4 millioen aan ’s lands kas zou toevloeien. Als ooit eene hinderlijke belasting is ingevoerd, dan zou het zeer zeker de rijwielbelasting zijn en zij mij vergund hier een lans te breken voor de rijwielbezitters. Ik zou willen vragen: 1e  Met welk doel schaft men zich een rijwiel aan? 2e  Wie schaft zich een rijwiel aan? Ziehier mijn antwoord: Men schaft zich een rijwiel aan omdat het  h é t  hedendaagsche vervoermiddel is om verre afstanden binnen betrekkelijk korten tijd af te leggen en tevens goedkooper is dan eenig ander vervoermiddel. Gezien de geweldige uitbreiding der steden, is de afstand tusschen woonplaats en werkkring te groot om te voet af te leggen.

De tram is echter bij een geregeld gebruik van 4 of minstens 2 x daags te duur. Wat doet men nu om hieraan te ontkomen? ______________________

           Ik woon in een klein stadje. Des zomers gaan er, vooral des Zondags, duizenden Amsterdammers en Amsterdammertjes op de fiets langs onze straten. Ik wil niet gelooven, dat die alleen de fiets als vervoermiddel in de groote stad noodig hebben.

          Onze dienstbode houdt er natuurlijk ook een fiets op na, om zomersavonds en Zondags een toertje te maken. Ik gun haar ’t genoegen gaarne. Intusschen: zij koopt en onderhoudt een “kar” en mij laat zij zegeltjes plakken! Waarom zou zoo’n plezierrijtuig niet belast worden, hier en overal elders?! D.

——————–

 


——————–

 29 februari 1924

———————

 

Rijwielbelasting

 

Blijkens het Voorloopig Verslag omtrent het wetsontwerp tot heffing eener belasting op rijwielen werden door verschillende leden ernstige bezwaren tegen dit wetsontwerp aangevoerd. H.i. behoort een belasting die is afgeschaft (enkele jaren geleden is het rijwiel als grondslag der Personeele Belasting vervallen) niet na zoo korten tijd opnieuw te worden ingevoerd, te minderen, omdat daardoor groote belangen worden aangetast. Het rijwiel wordt terecht genoemd “het paard van de democratie”. Bovendien wordt bij deze belasting geen rekening gehouden met de draagkracht. Het bedrag der belasting is ook te hoog in verhouding tot de waarden van het rijwiel: vele rijwielen worden voor fl. 30.- aangeschaft. Ook inningskosten zouden h.i. niet meevallen.

Deze leden zouden er geen bezwaar tegen hebben indien alleen rijwielen, die ter ontspanning worden gebezigd worden belast. Met een heffing echter als in het onderhavige wetsontwerp konden zij zich niet vereenigen. Zij verklaarden dan ook hun stem daaraan niet te kunnen geven. Andere leden verklaarden in de tegenwoordige tijdsomstandigheden, nu een groot tekort op de Staatsbegrooting moet worden gedekt, met deze belasting te kunnen medegaan. Men is  thans genoodzaakt genoegen te nemen met maatregelen, waartegen men in normale tijden bezwaar zou hebben. De vroegere rijwielbelasting in de wet op de Personeele Belasting werd afgeschaft (1919), toen de financieele toestand gunstiger was. De wijze van inning der thans voorgestelde belasting is eenvoudig, de controle kan eveneens eenvoudig zijn en de uitvoering veroorzaakt aan de houders van rijwielen weinig last. Voor de meesten zal de daardoor veroorzaakte vermeerdering van belastingdruk van weinig beteekenis zijn, niemand zal er door genoodzaakt worden zijn rijwiel af te schaffen. Bovendien is het billijk dat de rijwielhouders eene vergoeding aan het Rijk betalen voor de kosten, aan de rijwielpaden besteed. Het maken van een onderscheiding naarmate de rijwielen al dan niet in bedrijf of beroep worden gebruikt, ware zeer moeilijk.

Sommige leden zouden tegen deze belasting geen bezwaar hebben indien daarbij

 

een zekere progressie werd voorgesteld; ander leden hadden tegen dit en andere dergelijke denkbeelden bezwaar, omdat de kosten van perceptie er belangrijk door zouden stijgen en de controle veel moeilijker zou worden. Sommige leden wenschen in het wetsontwerp een termijn te zien opgenomen waarna deze heffing zou vervallen, tenzij wederom tot verlenging werd besloten. Sommige leden vroeger of door totstandkoming van dit wetsontwerp de Provinciale Staten de bevoegdheid zouden verliezen om – zooals in Noord-Brabant – weggeld te heffen van rijwielen waarmede van de provinciale wegen wordt gebruikt gemaakt. Eenige andere leden zouden het vervallen van dit weggeld op rijwielen in Noord-Brabant niet betreuren, omdat dit aan het publiek veel last veroorzaakt. Dat de belasting zal worden geheven door middel van merken, geschikt om aan een rijwiel te worden bevestigd, werd met instemming begroet. Gevraagd werd of iemand die twee rijwielen heeft, met één merk zal kunne verstaan, dat beurtelings op één der rijwielen kan worden bevestigd en of bij den aankoop van een nieuw merk in den loop van het belastingjaar het merk van het oude rijwiel daarop kan worden overgebracht. Verscheidene leden verlangden een vrijstelling voor driewielers van gebrekkigen.

——————–

 


 

—————-

18 april 1924

—————-

 

Belasting op rijwielen.

 

Verschenen is de Memorie van Antwoord nopens het ontwerp van wet tot heffing eener belasting op rijwielen. Het ministerieele antwoord is gelijk te verwachten was:

 

Barbertje moet hangen.

De minister kan, zegt hij, niet inzien, dat de omstandigheden, dat het rijwiel enkele jaren geleden als grondslag voor de heffing der personeele belasting is prijsgegeven, een beletsel zou zijn om het thans bij veranderde behoefte der schatkist, opnieuw als voorwerp van belastingheffing te kiezen.

K a n de minister dat niet inzien?  Of w i l hij niet? Het ligt anders toch nogal voor de hand. Dat het rijwiel indertijd als grondslag voor de heffing der personeele belasting is prijsgegeven zonder dat het tevens direct aan een afzonderlijke belasting werd ontworpen, bewijst toch wel de overwinning van het inzicht, dat de fiets niet wel belastbaar was. Aan overvolheid heeft de schatkist nooit gelden en om redenen van overvloed werd het penningske van den wielrijder waarlijk niet prijs gegeven. Het is waar, dat provinciale en gemeentelijke opcenten op de personeele belasting het houden van een rijwiel nog bezwaarlijker maakten dan thans deze heffing zal doen, doch zoo dit principe was geweest, dat tot de vrijstelling leidde, ware onverwijld invoering van een aparte rijwielbelasting althans consequent geweest.

De in den aanvang van het Voorloopige Verslag ontwikkelde bezwaren acht de minister reeds op afdoende wijze door andere leden weerlegd. Het is inderdaad heel plezierig voor een minister om uit een voorloopig verslag argumenten te kunnen putten, die elkander opheffen, maar het is toch wel wat al te gemakkelijk om de meeste zwaarte toe te kennen aan de argumenten., die het meest in zijn kraam te pas komen.

De minister ontveinst zich niet, dat er zich gevallen zullen voordoen, waarin betaling der voorgestelde belasting voor den eigenaar van een rijwiel, dat alleen voor beroep of bedrijf wordt gebezigd, bezwaar zal opleveren, maar, zegt hij, dit

 

zullen uitzonderingsgevallen zijn, en deze mogen niet weerhouden van het heffen eener belasting, die in het algemeen zonder redelijk bezwaar zal worden betaald.

Het wil ons voorkomen, dat de minister hier de zaken omkeert. Het zal inderdaad wel voorkomen, dat betaling geen bezwaar oplevert, maar juist die gevallen zullen de uitzonderingsgevallen zijn en bezwaar de regel.

“En “redelijk bezwaar”?

Och!  Een minister van financieen pleegt nu eenmaal elk belastingbezwaar zoo’n beetje onredelijk te achten en zou het liefst den belastingbetaler juichend naar den ontvanger zien loopen. Maar de beul verwacht ook niet, dat men hem met opgewekt gelaat tegemoet treedt en geen hoen gaat lachend den pot in.

Er zijn  leden der Kamer geweest die troost hadden kunnen vinden bij een tijdelijk karakter der rijwielbelasting. Maar aan den wensch om in het ontwerp een termijn op te nemen, na verloop waarvan de heffing zou vervallen, zegt de minister niet te kunnen voldoen. Wij moeten toegeven, dat het wat veel gevergd zou zijn om aan de afkondiging uitzicht op opheffing te verbinden. Het ziet er waarlijk niet naar uit, dat de nooden van den fiscus zullen minderen, en met het “heden voor geld, morgen om niet”vangt men de menschen niet meer.

Vrienden voor zijn ontwerp wint de minister stellig niet met zijn ontkennende beantwoording van de vraag of de totstandkoming van het ontwerp tengevolge zal hebben, dat de Provinciale Staten (lees Noord Brabant) de bevoegdheid zullen verliezen om weggeld te heffen van rijwielen, die de provinciale wegen worden bereden, antwoordt de minister ontkennend.

De “duizenden arbeiders, kleine neringdoenden en andere”, die nu dubbel zullen worden belast, vinden allicht een echo in de Kamer en het is nu maar hopen, dat die echo krachtig “tegen” zal roepen.

Dat  de Regeering voornemens is de belastingmerken in eigen beheer in de werkplaatsen van ’s Rijk Munt te Utrecht te doen maken is eene mededeeling, die wat al te veel vertrouwen in het lot van het belasting-ontwerp te kennen geeft. Men mag hopen, dat deze rijksinstelling zich beter van hare taak zal kwijten dan de giro-dienst en de artillerie-inrichting deden. Het stemt in elk geval tot vreugd als de minister belooft, dat de inningskosten zullen beperkt blijven tot de uitgave voor aanmaak en distributie der belastingmerken. Want het ware waarlijk al te sneu, zoo de belastingschuldige wielrijder hunne drie-gulden-stukken ook nog moesten zien verdwijnen in den muil van ambtenaarlijken rompslomp.

Zoo inhalig als hij is of moet zijn, heeft de minister toch nog medelijden met de gebrekkigen, wier invaliditeit hen tot het gebruik van een driewieler dwingt. Hij zegt van meening te zijn, dat door handbeweging voortbewogen wordende driewielers voor gebrekkige personen geen rijwiel zijn en op dien grond reeds buiten de belasting vallen. Men zou kunnen vragen of naar het ministerieele inzicht dan een ziekenstoel geen stoel is en of een van het gebruik zijner onderste ledenmaten verstoken wel beslist voor de voortbeweging op het gebruik zijner handen kan worden aangewezen. Maar men weerhoudt zich van het opwerpen deze vragen, als men den minister in één adem hoort verklaren, dat hij geen bezwaar

 

tegen heeft om bedoelde driewielers (die hij van meening is dat  geen rijwielen zijn) onder de vrijgestelde rijwielen op te nemen.

Wie meent, dat op een of ander gebruiksvoorwerp een zekere soortnaam niet past, moet er juist alle bezwaar tegen hebben om het als uitzondering te noemen. Dit zal dan ook wel een l a p s u s  zijn van den minister en wij bieden dit bloempje Charivarius aan om het bij een van zijn stijlruikertjes te binden. Maar het gansche ontwerp achten wij door deze memorie al heel zwakkelijk verdedigd en wij blijven maar hopen, dat de Kamer dit belastingwetje zal verwerpen, dat veel kwaad bloed zou zetten, handel en industrie schade zou berokkenen en in het gunstigste geval toch nog maar een batetje zou scheppen, niet groot genoeg om een minister van marine tot zakgeld te dienen. Wij zijn nu al wel dicht aan de openbare behandeling toe. En alhoewel er geen volksdemonstratiën zijn gehouden en geen vergaderingen van groepen van belanghebbenden en er geen perscampagne en geen brochurevloed is geweest van de honderden leden der Tweede Kamer zullen er toch, hopen wij, meer dan 50 zijn die den minister dit kluifje niet gunnen.

En de man, die zijn vlootwet zag verwerpen, zal onder verwerping dezer rijwielbelasting wel gelaten kunnen blijven. Zoodat er van afstemming ook geen politieke gevolgen zouden te duchten zijn. 

——————–

 

 

DE  ONVERBETERLIJKE  RIJWIELPLAATJES

——————–

15 augustus 1924

———————

De Haagsch Courant heeft zich naar aanleiding van de vele klachten over de rijwielplaatjes voor rijwielen tot het Ministerie van Financiën gewend met de vraag, of voor 1925 wellicht een andere wijze van betaling van deze belasting of een bruikbaarder soort belastingplaatje overwogen werd. Men deelde haar mede, dat men voorloopig nog geen aanleiding vond, het thans gevolgde stelsel en model van het plaatje prijs te geven. Eerst wilde men eens afwachten, tot het publiek aan de plaatjes gewend was. De bevestiging van de plaatjes zou, naar men verwachtte, in de toekomst geen bezwaar meer opleveren, aangezien er nu reeds verschillende goede methodes daartoe in den handel waren gebracht. Om deze redenen bestond er voorloopig voor het departement geen aanleiding tot verandering over te gaan en zou er dus ook geen opdracht worden gegeven, de plaatjes te wijzigen.

Hoe is het mogelijk !  En nu zijn die rijwielplaatjes toch langer dan veertien dagen in gebruik. Men kan goed zien, dat de Regeering zich voor haar rijwielplaatjes heeft laten voorlichten door ….. koekbakkers. Smaakt het niet erg lekker ? Gekheid ? ’t Ligt niet aan de koek, maar aan den slechten smaak van het publiek. Dat men wel zal leeren eten.

——————–

 

 

DAGBLAD VAN NOORD-BRABANT

 

D e   o n p o p u l a i r e   R ij w i e l b e l a s t i n g

————————

22 augustus 1924

————————

Populair is geen enkele belasting te noemen, maar het meest onpopulair is wel de rijwielbelasting. En toch kon zij populair worden – en behoefde niet achter te staan bij de contributie van de wielrijdersbond – als de fietser maar waar voor zijn geld kreeg. Hiermede wordt minder bedoeld een rijwielbelastingmerk, dat niet te stelen is, of genummerd is, met bewijs van betaling, maar meer als de opbrengst eener belasting – gekapitaliseerd – besteed werd voor aanleg van fietspaden langs de zijkant der groote verkeerswegen; deze hiermede goed onderhouden werden en ze voor den belastingbetalenden fietser (en voetganger) gereserveerd bleven.

Populair werd ze, als de belasting uitgewonnen werd aan besparing van onderhoudskosten der rijwielen, door goed aangelegde en onderhouden paden; populair werd ze, als het den automobilisten verboden kon worden langs de zijkanten der groote wegen te scheren of deze te berijden (tenzij bij uitwijken), nadat eerst het middengedeelte van den weg stuk gereden is; populair werd ze, als alle kantonniers der wegen een geregelde dagelijksch zorg wilden besteden aan het vullen van gaatjes, zoodat deze niet tot gaten of kuilen kunnen uitgroeien, en den fietser en voetgangers door voorbij vliegende auto’s geen bad van verfrissing en verschooning op minder aangename en minder doelmatige wijze “en passant” kon worden medegegeven na ieder regenbui.

De hoofdverkeerswegen bij Rijk en Provincie in onderhoud, zijn in een toestand, zooals het publiek ze niet verwacht. Wie treft hier de schuld ?

Is de Staat of Provincie als onderhoudsplichtige er niet meer toe in staat, men late dan door aanbesteding bij gedeelten het onderhoud aan de particulieren. Slechter kan het niet worden. Een proef te nemen was het altijd waard. Zou bij onderhoud door particulieren hierin niet eene belangrijke besparing van kosten – en een beter onderhouden weg uit volgen ?

Dat de Gemeentewegen over het algemeen in een beteren toestand verkeeren zal naast een minder massa en snel-vervoer door auto’s ook wel aan een beter onderhoud en toezicht moeten worden toegeschreven. Het Staatsorganisme is misschien te zeer uitgebreid met te veel rechten en te weinig plichten. In particuliere exploitatie zal de bezem meer in handen dan op de schouder (als embleem van het vak) komen.

Het hoogere toezicht kan voldoende waken tegen misbruik en houden – bij niet voldoende en niet goed onderhoud – de koorden der beurs in handen. En als uit particulier onderhoud – na genomen proef – minder uitgaven en beter onderhoud zou volgen, kon de onpopulaire rijwielbelasting spoedig weer verdwijnen. De fietser en de belastingbetaler zouden er wel bij varen. Jaarlijks geeft de gemeenschap groote bedragen uit voor tegemoetkoming bij werkloosheid. Zou het niet de overweging eens waard zijn de opbrengst dezer belasting te besteden voor het aanleggen en onderhouden van fietspaden liefst aan beide zijden der groote wegen ?  De regel van “rechts houden zou soepeler ingeburgerd zijn. Het ware een productieve en nuttige werkverschaffing. Dan zou het offer dezer belasting (een cent per werkdag) door iedereen zonder uitzondering wel zijn op te brengen, zelfs door hen, die thans kosteloos een belastingmerk krijgt, “omdat hij het niet betalen kan”, terwijl zijn schoolgaand fietsende zoontje het blijkbaar wel betalen kan.

——————–

 

———————

5 september 1924

———————

De plaatjes en de spoorwegen. In een dienstorder van de directie van de Nederlandsche Spoorwegen wordt in verband met het feit, dat aan de spoorwegen voor vervoer toevertrouwde rijwielen veelal belastingplaatjes worden ontvreemd, aan het personeel meegedeeld, dat degeen van het personeel, die aan deze ontvreemding blijkt schuldig te zijn, op staande voet wordt ontslagen.

Geen proces-verbaal. Bij de uitvoering der Rijwielbelastingwet is aan de betrokken ambtenaren de instructie gegeven, om de eerste vier weken niet te verbaliseeren. Ten onrechte is hieruit de conclusie getrokken, dat gedurende de geheele maand Augustus geen proces-verbaal ingevolge die wet zou worden opgemaakt.

Circulaire. De Minister van Financiën heeft in een rondschrijven bepaald, dat  t e  b e g i n n e n  m e t  29 Augustus a.s. ieder, die zijn rijwiel niet heeft voorzien van het voorgeschreven belastingmerk, behoort te worden verbaliseert.

In antwoord op vragen om tegemoet te komen aan de bezwaren ten plattelande tegen het halen door landarbeiders van een kosteloos rijwielmerk op het vaak op groote afstand van hun woonplaats gelegen belastingkantoor – heeft Minister Colijn verklaard:

1.               Het kan niet worden ontkend, dat het bedoelde bezwaar zich ten plattelande zal voordoen.

2.               Van den eisch, dat men ter bekoming van een kosteloos rijwielmerk zich in persoon aan het kantoor van den ontvanger moet vervoegen, kan moeilijk worden afgeweken.

Het gebruik van het bedoelde merk toch is persoonlijk, en nu is het voor de uitoefening van de controle op het gebruik, onvermijdelijk, dat de aanvrager zijn handtekeening stelt op een formulier, dat hem later, met het verlangde merk, als identiteitsbewijs zal worden uitgereikt, en dat hij zich daartoe onder kantoortijd aanmeldt. Werd dit formulier met het  voor de aanvraag den belanghebbende op zijn verzoek ter invulling toegezonden, dan zou vrij zeker het tweede formulier in vele gevallen op onvoldoende wijze ingevuld terug worden ontvangen.

Kinderrijwielen en de Rijwielbelasting.  Naar aanleiding van een gestelde vraag, of kinderrijwielen al of niet voorzien moeten zijn van een belastingplaatje en wat men onder kinderrijwielen verstaat, deelen wij hier mede, dat  g e e n  belastingmerk vereischt wordt voor kinderfietsjes, waarvan de wielen met andere banden dan luchtbanden zijn bekleed, mits de omtrek der banden niet grooter is dan 5 centimeter. Dus, aan de berijder van een rijwiel is geen leeftijd gebonden; groot of klein is gebonden aan het betalen voor een rijwielbelastingmerk.

——————–

 


 

INHOUD: Correspondentie, – Overtreding  Rijwielbelasting   door
Minderjarigen  beneden  achtienjaar en niet toerekenbare personen.
J. van der Poel    Meerderjarige kinderen in het bedrijf der ouders
werkzaam.   K. van Schouwen    ’s Rijks Rechten     Uit de Pers.
Staten- Generaal.    Tweede Kamer.    —   Vraagbus   —   Berichten.
_____________________________________________________

 CORRESPONDENTIE.

Men gelieve stukken voor de redactie te richten aan:
Den Heer  K. van Schouwen,
Reinier Vinkeleskade 31 -1,  Amsterdam.

 

 

’s Rijks Rechten.

Rijwielbelasting. De uitvoering der rijwielbelasting, speciaal wat betreft de uitreiking van kostelooze merken, schijnt nog al een vertraging te ondervinden. Bij Min.miss. d.d. 19 December 1924 no. 81 werd, al betreft deze missive ook een eenigszins andere kwestie, ook reeds de aandacht gevestigd op vertraging bij de uitreiking van het verlangde merk.

De bestaande voorschriften hieromtrent opgenomen o.m. in V.v.V. 859 werken een vlugge afdoening niet in de hand. In § 3 en 4 van dit verz. no. is o.a. gezegd dat de ambtenaar het formulier Rijwielbelasting no.1, na gedaan onderzoek terugzendt aan den betrokken Ontvanger, die op zijn beurt de aanvraag opzendt naar den Inspecteur, om vervolgens weer bij den Ontvanger terecht te komen.

Met deze heen een weerzending gaan, vooral in plattelandsgemeenten, minstens 2 á 3 dagen onnoodig verloren, en die voor de aanvrager van het kosteloos merk van veel belang kunnen zijn.

Wanneer de ambtenaren de aanvragen rechtstreeks konden doorzenden aan den Inspecteur, dan kon daarmede worden bereikt dat minstens 2 á 3 dagen eerder een kosteloos merk door den ontvanger kon worden uitgereikt, waarmede een aanvrager dikwijls zeer gebaat zal zijn.

Aanvragen welke niet voor inwilliging vatbaar mochten zijn kunnen op de gewone wijze worden behandeld, temeer daar deze personen toch f. 3.- moeten offeren, en alzoo niet veel gebaat zijn bij een vluggere afdoening. Voor rechthebbenden op een kosteloos merk is vlugge afdoening echter een eerste vereischte.

Hoogezand.                                                                                                                          B.J. VIERSTRA

 

NOOT:

Wat mij bijzonder opvalt, is het fijt dat de uitvoerende dienst het zeker niet altijd eens is met de beleidmakers van de wet.

Interpretatie der zinsnede laat soms veel ruimte om anders te handelen.(CJ)



Overtreding Rijwielbelastingwet door minderjarigen beneden achtien jaar en niet-toerekenbare personen.

Ingevolge Ministerieel voorschrift zullen voortaan alle processen-verbaal inzake Rijwielbelastingwet tegen minderjarigen beneden 18 jaar in rechte worden gebracht. Wel zegt de desbetreffende missive, dat dit in het algemeen moet geschieden, toch niet wel is in te zien, dat — het principe een maal aanvaart —  er zich gevallen zouden kunnen voordoen, die wél aanleiding tot oganiseeren zouden kunnen geven.

Gevolg van een en ander is, dat van de “Schadevergoedingsidee”, het stokpaardje des fiscalen wetgevers, dat overigens óók in de Rijwielbelastingwet (vgl. b.v. art. 6.11) als gewoonlijk wordt bevonden, wordt afgestapt. En de Minister is blijkbaar ook tot nadere overweging zijner Memorie van Toelichting en de aan ambtenaren verstrekte instructie gekomen. Komt men aan de hand daarvan toch (vgl. hierna § 7 V. 2538) juist tot de conclusie, dat speciaal van minderjarigen beneden de achttien jaar inbeslagneming van het rijwiel aangewezen is, een inbeslagneming van een rijwiel kan voortaan voor deze personen, speciaal aan die van 16 jaar en jonger, nauwelijks meer te pas komen. Immers inbeslagneming geschiedt voor de R.B.W.-wet alleen, teneinde de geldboete op het rijwiel te kunnen verhalen.

Voor minderjarigen ten wier aanzien te veronderstellen is, dat zij den leeftijd van 18 jaar nog niet zullen hebben bereikt, tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg, kan bij  het begaan van overtredingen – en als zoodanig wijst art. 6.11, de overtredingen der R.W.B.-wet aan – alleen een veroordeeling tot geldboete 1) volgen, bij recidive binnen twee jaar. (Vgl. art. 39 septies 2e en 3e lid, Srr). Van minderjarigen beneden 16 jaar, (art. 39, septies 2e lid komt men aan beslagneming al evenmin toe: Hoe eenig gevolg dat kan bevinding dan heeft, is nu teruggave aan de ouders of den voogd zonder eenige toepassing van straf (art. 38 Srr.)2)

1)     Of plaatsing in een tuchtschool.

2)     Voor minderjarigen dus ook voor hen die jonder zijn dan 16 jaar, komt bovendien nog de straf van berisping (art.39 septies 2e lid).

Ook dan heeft dus inbeslagneming tot verhaal der boete, geen zin, daar het opleggen van boete niet mogelijk is. Alleen bij recidive is dit wél het geval. Eveneens kan dan de straf van plaatsing in de tuchtschool worden opgelegd, terwijl – ten aanzien van personen tusschen 16 en 18 jaar – de rechter de bevoegdheid heeft, krachtens art. 39 septies 1.1, deze personen gewoon te straffen met dien verstande dat de hechternis (ook de vervangende)3) uitgesloten blijft. Doet de rechter zulks, dan kan dus in dat geval ook  boete worden opgelegd. Dan is de boete dus c.q. wél verhaalbaar op het rijwiel…., n.l. als het volgens art. 7.11 is aangehaald en op gebracht. Is het rijwiel eenmaal uit handen der verbalisanten geweest, dan zal het toch moeilijk zijn, later de identiteit vast te stellen. In de practijk zal het verhaal wel steeds plaats hebben op de zekerheid, waartegen het rijwiel is ontslagen ( Mem, van antw. 1ste kamer).

Doch de betrekkelijke missive maakt ten dezen geen onderscheid, tenzij de clausule “in het algemeen” op dit geval bedoelt te slaan. In sommige gevallen achten wij het gelukkig, nu men afdoening in transactie niet wenscht, dat van verhaal op het rijwiel veelal zal moeten worden afgezien. Immers, het in rechte aanbrengen dezer zaken leidt in vele gevallen niet tot logische gevolgen en geeft aan de zaak een geheel ander karakter. We kunnen niet ‘nzien, dat eenig groot belang, afgescheiden van het ontvouwde principe, bij in den regel zeer eenvoudige, onschuldige bekeuring, den heelen omhaal van rechterlijke vervolging, die in den regel in de bedoelde gevallen wel met een berisping zal eindigen, rechtvaardigt. Men kan zich kwalijk indenken, dat het in die gevallen ooit tot plaatsing in een tuchtschool zal komen, tenzij de bekeurde

niet in persoon verschijnt.  4)

Moest nu, naast rechterlijke vervolging, ook nog het rijwiel worden gemist, indien men niet voldoende financiën had, om het tegen borgstelling te ontslaan – dat is, zooals dadelijk nog nader zal uiteen zetten, de bedoeling van den Wetgever geweest – dan zou de onbillijkheid van de exceptioneele behandeling nog worden vergroot. Het rijwiel zal in den regel wel aan den vader behooren en deze moet dus in gevallen waarin niet kan worden getransigeerd, zijn rijwiel bij den ontvanger laten en moeten – want daarvoor zal

Ter beschikkingstelling van de Regeering komt alleen te pas voor  a) personen tot 14 jaar, voor misdrijven en met name genoemde overtredingen en wanneer deze gedurende de laatste 2 jaar twee maal onherroepelijk werd schuldig verklaard aan eenig strafbaar feit.

b) personen tot 18 jaar, wanneer nog geen twee jaar zijn verloopen sedert een vroegere schuldverklaring.

c) personen tot 18 jaar, wegens begane misdrijven. Bij berisping, ten opzichte van overtredingen, voor gevallen waarin berisping de eenige hoofdstraf is, kan een voorwaardelijk tuchtschoolstraf worden bepaald met proeftijd v. minstens een en hoogstens twee jaar. 

3.) Dit laatste geldt echter niet ten opzichte der R.W.B., omdat volgens art. 6 dier wet de inzake inv. En acc. Geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van geldboeten ook bij de toepassing van deze wet van kracht zijn.

4.) Desniettegenstaande zullen de ouders der bekeurden in den regel aan het opleggen eener boete in transactie verre de voorkeur geven. De zaak loopt da eenvoudig en spoedig af.

 

hij in den regel gebruiken – zonder rijwiel naar zijn werk gaan. In meerdere gevallen is de groote afstand daartoe een beletsel, in de andere is het dagelijks te voet afleggen van groote afstanden buitengewoon bezwarend en een extra-straf.

Het bezwaarlijkst is dit voor de minst-kapitaal-krachtigen, voor hen, die met een kosteloos rijwielmerk rijden. Her haaldelijk komt het voor, dat kinderen zonder medeweten van den vader, even een eindje gaan rijden en dan worden bekeurd. Voor dergelijke menschen is het verschaffen in eens van een borgstelling uitgesloten. Zij zouden dus door de toepassing zooals het besproken voorschrift die wenscht, steeds ten zeerste gedupeerd zijn, wanneer niet in de meeste gevallen, laten we zeggen toevallige wijze, de aldus door den Minister zelf opgeroepen wetsbepalingen van het Wetboek van Strafrecht onmogelijk maakten, wat § 7, V. 2358 juist uitdrukkelijk voorschrijft. (“Inbeslagneming en opbrenging behoort overigens”

slechts bij bepaalde noodzaak te geschieden, dat is, wanneer voldoende zekerheid ontbreekt, dat de boete bij gebreke van vrijwillige betaling op den bekeuring zal zijn te verhalen, zooals in den regel het geval zal zijn bij jeugdige personen.)

Er valt toch, zooals wij boven gezien hebben, in dergelijke gevallen in den regel geen boete te verhalen, ergo, ook de inbeslagneming van het rijwiel kan, niettegenstaande de zaak in rechte wordt aangebracht, en niettegenstaande § 7 V. 2358, achterwege blijven. Blijkt hieruit reeds voldoende, dat de wetgever en de schrijver der instructie zich oorspronkelijk de zaak anders dachten, even duidelijk komt dit uit bij raadpleging van de kamerstukken. In de Mem. Van Antw., 1ste Kamer staat, dat “toepassing van art. 6, lid 2, zich zal beperken tot verhaal der boete op een rijwiel, dat volgens art. 1.11. is aangehaald en opgebracht”. In de Mem. Van Toel.: Het schijnt wenschelijk, ook verhaal der geldboete toe te staan op het rijwiel, waarmede de overtreding is gepleegd en aldus den eigenaar van het rijwiel aansprakelijk te stellen. In menig geval zou er anders geen middel van verhaal zijn

                                                                                                                                  J. van der Poel 

——————–
——————–
 

Een greep uit de vele vonnissen


die er in het land zijn uitgesproken.

——————–