STAATSBLAD 1896

(Beknopt)

Wet van 16 April 1896, tot regeling der Personele belasting. 

 

No. 72 

 

In NAAM van HARE MAJESTEIT WIL HEL MIN A, bij de gratie Gods, koningin der NederlandenPrinses vaOranje-Nassauenz.enz., enz.,

Wij, EMMA, Koningin – Weduwe, Regentes van het KoninkrijkAllendideze zullen zien of hooren lezen, saluut l Doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebbendat het noodig ide bepalingen omtrent de belasting op het personeel door eene nieuwregelinte vervangen;

Zoo is hetdat Wij, den Raad van State – Generaal, hebben goedgevondeen verstaangelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I

Grondslagen der belasting.

Artikel 1. Onder den naam van "Personeele Belasting" wordt eene directe belasting geheven naar de volgendgrondslagen.

I. Huurwaarde,

2.     Haardstede,

3.     Mobilair,

4.     Dienstboden,

5.     Paarden,

6.     Rijwielen.

HOOFDSTUK V Belasting naar den zesden grondslag

Artikel3lDbelasting naar den zesdegrondslawordt nader bij wet geregeld.

Lasteen bevelendat deze in het Staatsblad zal wordegeplaatst, en dat alle Ministerieele DepartementenAutoriteiten, Colleges en Ambtenarenwie zulkaangaataan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven t'Gravenhage, den 16den April 1896.

EMMA.

De Minister van Financiën, Sprenger van Eyk.

Uitgegeven den vier en twintigsten April 1896.

De Minister van Justitie, Van der Kaay.

 

(Staatsblad no. 181 van 14 Juli 1898 is alles opgenomen omtrent de grondslagen)

  

——————–

 

ALGEMEENE

VERORDENING VAN POLITIE

 

VOOR DE GEMEENTE

 

KOOG AAN DE ZAAN

 

 

25sten Februari 1896

 

 

 

HOOFDSTUK  IV

 

Het rijden

 

Art. 34.

Met boete van ten hoogste f 3,- wordt gestraft iedere bestuurder van eene handkar, broodkar, elke andere kar, wagen of slede, die zijn voertuig doet stilstaan langs de huizen of bebouwden kant van den Langendijk, of, daarmede voortvarende, verzuimt de westzijde of slootzijde van den Langendijk te houden en zoover op zijde te gaan, dat rij- of voertuigen, met een of meer paarden bespannen, behoorlijk kunnen voorbijgaan, tenzij aan den kant der huizen ruimte genoeg is om buiten de rollaag van den straatweg te gaan of te staan.

 

Art. 35.

Met boete van ten hoogste f 10,- wordt gestraft hij, die met een rijtuig of met eene slede, met een of meer paarden of ezels bespannen, alsmede de berijder van een rijdier, die in de kom der Gemeente harder rijdt dan in matige draf, of, bij het aan- of uitgaan van scholen, harder rijdt dan stapvoets; voor wielrijders geldt de daarmede gelijkstaande snelheid.

 

Art. 36.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft hij, die in het tijdperk tusschen één uur ná zonsondergang en één uur vóór zonsopgang op straten of wegen rijdt of stilstaat, zonder dan zijn rij- of voertuig aan de voorzijde is voorzien van minstens één helder lichtgevende naar voren en naar beide zijden uitstralende lantaarn; handkarren zijn hiervan uitgezonderd.

 

Art. 37.

Met boete van ten hoogste f 3,- wordt gestraft de bestuurder van een bespannen rij- of voertuig, die niet voldoet aan een bevel der politie om het rijden of den gang van het door hem bestuurde rij- of voertuig te matigen, hetzij stapvoets te rijden, hetzij stil te staan.

 

Art. 38.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft ieder, die op straten of wegen, aan een kind beneden de zestien jaren, het bestuur over een bespannen rij- of voertuig toevertrouwt; hiervan zijn uitgezonderd ezel en bokkenwagens.

 

Art. 39.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft ieder berijder van een rijwiel, wiens voertuig wanneer hij zich daarmede op straten of wegen bevindt, niet is voorzien van eene luidklinkende schel of trompet en in het tijdperk, en in het tijdperk, besloten tusschen één uur ná zonsondergang en één uur voor zonsopgang, niet bovendien aan de voorzijde is voorzien van een helder-lichtgevende naar voren en naar beide zijden uitstralende lantaarn.

 

Art. 40.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft ieder bestuurder van een rij- of voertuig, kruiwagens,handkar of rijwiel, die daarmede vergunning van den Burgemeester, op trottoirs of op tot voetpaden bestemde wegen of straten komt.

 

Art. 41.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft de bestuurder van een hondenwagen, die in het gedeelte der Gemeente, waarop het Provinciaal Reglement op de wegen niet van toepassing is, zich bevindt op den hondenwagen, wanneer die in beweging is en den hond als trekkracht gebruikt, zonder dat deze behoorlijk van eene muilkorf is voorzien.

 

Art. 42.

Met boete van ten hoogste f 5,- wordt gestraft de bestuurder, die niet zorgt, dat, wanneer hij met zijn rij- of voertuig zich voortbeweegt over een met sneeuw bedekte straat of weg, het trekdier of een der trekdieren is voorzien van eene luidklinkende bel.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van den Raad der Gemeente KOOG AAN DE ZAAN, den 4den Februari 1896

 

 

(Get.)  VAN LENNEP,  voorzitter

(Get.)  CLEVERINGA, Secretaris

 

 

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, volgens hun bericht van den 12den Februari 1896, No 4, in afschrift medegedeeld.

 

 

En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den 25sten Februari 1896.

 

                     Burgemeester en Wethouders van

                          Koog aan de Zaan,

 

                                VAN LENNEP.

                                  De Secretaris,

                                 CLEVERINGA

 

——————–

 

CIRCULAIRE

Regeling betreffende de toepassing der Rijwielbelastingwet.

———————

24 october 1924

———————-

Ter kennis van de ambtenaren der Rijks- en gemeentepolitie is gebracht, dat door den Minister van Financiën de onderstaande mededeelingen zijn gedaan in verband met de vragen aangaande de toepassing der Rijwielbelastingwet.

Transportrijwielen al of niet met afneembare bak (z.g. carriers), zijn volgens het spraakgebruik als rijwiel te beschouwen en vallen onder de toepassing der Rijwielbelastingwet. Indien het stuur dezer rijwielen niet uit een buis bestaat en de inrichting van het rijwiel niet toelaat op de voorgeschreven zichtbare wijze het rijwielmerk aan de balhoofdbuis of de bovenbuis van het rijwiel aan te brengen, moet het belastingmerk niettemin aan het stuur bevestigd worden. Driewielige rijwielbrancards kunnen gelijk gesteld worden met de van belasting vrijgestelde rijwielen, genoemd in art. 4, letter b. der wet (invaliden driewielers), uit overweging , doch daartoe de hulp van een ander behoeft.

Wanneer een op de voorgeschreven wijze aangebracht rijwielbelastingmerk bedekt is door een kleedingstuk, mand of ander voorwerp, behoort het opmaken van proces-verbaal te worden nagelaten, doch de berijder van het rijwiel moet worden opgemerkt, dat hij het aan zich zelf te wijten heeft, indien hij tot stilstand mocht gedwongen zijn. Zoolang het tegendeel niet is beslist, moet evenwel worden aangenomen , dat een rijwielbelastingmerk,dat bedekt is met en laag lak (veroorzaakt door het lakken van het rijwiel)  waar doorheen de kleur van het merk niet zichtbaar is, niet overeenkomstig het voorschrift  van art. 2 der wet aan het rijwiel is bevestigd. Evenmin is dit het geval indien het merk op een zoodanige wijze is bevestigd, dat het middengedeelte of een der helften door het bevestigingsvoorwerp is bedekt. Een merk waarvan een stuk ontbreekt, is als niet geldig aan te merken.

Het is geoorloofd het merk door middel van een riempje, touwtje, metalen draadje of dergelijk hulpmiddel aan het stuur van het rijwiel te hangen, zulks met het oogmerk het bij niet gebruik van het rijwiel gemakkelijk daarvan te kunne verwijderen.

Het uitleenen van merken is geoorloofd, behalve van die, welke kosteloos zijn verstrekt; deze mogen enkel door den aanvrager worden gebezigd.

Buitenlanders, die in het bezit zijn van een kaart Rijwielbelasting No. 4, mogen daarmede   herhaaldelijk de grens overschrijden, zonder dat zij haar geldigheid verliest. Er bestaat bezwaar tegen het doen afgeven bij elke binnenkomst van een nieuwe kaart, daar de grensontvangers hierdoor noodeloos van ander werk worden afgehouden. De geldigheidsduur eener zoonodige kaart is niet beperkt tot het tijdperk van 3 maanden na den dag der afgifte, daar immers slechts wordt vereischt, dat de bezitter telkens niet langer dan 3 maanden achtereen hier te lande vertoeft; van een eenmaal afgegeven kaart kan zoolang overigens niet de grond van vrijstelling van belasting is vervallen, gedurende het geheele kalenderjaar gebruik worden gemaakt.

Buitenlanders behooren met betrekking tot de uitvoering der Rijwielbelasting, zoo weinig mogelijk te worden bemoeilijkt. In het algemeen kan een nauwgezette controle op de naleving der wet worden beperkt tot die buitenlanders, waarvan bekend is, dat zij voor hun beroep of om andere reden geregeld binnen het Rijk komen.

 

——————–

 

STAATSBLAD  306

VAN HET

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. (No. 306.) Wet van den 20sten Juni 1924, tot heffing  eener belasting op rijwielen.

Wij  WIL HEL MINA  BIJ DE GRATIE Gods, KONlNGIN DER Nederlanden, Prinses van ORANJE..NASSAU, enz; enz., enz

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! Doen te weten:                                      

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de verstrekking van 's Rijks middelen noodig is eene belasting op rijwielen te heffen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk. Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

Artikel 1.

Er wordt een rijwielbelasting geheven door middel van merken geschikt om aan een rijwiel te worden bevestigd, die  van Rijkswege tegen betaling der belasting worden uitgegeven.

Ieder belastingmerk is geldig voor een bepaald jaar, dat daarop is uitgedrukt. De belasting bedraagt drie gulden. De belastingmerken zijn verkrijgbaar op de plaatsen, die door of vanwege Onzen Minister van Financiën daartoe worden aangewezen. Zij worden kosteloos uitgereikt voor rijwielen, uitsluitend te berijden door hoofden van gezinnen, die voor hun beroep of bedrijf een rijwiel noodig hebben en niet in de Rijksinkomstenbelasting voor het loopende jaar zijn of worden aangeslagen.

Onze Minister van Financiën geeft de noodige voorschriften voor de uitvoering dezer bepaling.

 

Artikel 2.

Ieder rijwiel, dat op den openbaren weg wordt bereden, moet voorzien zijn van een voor het loopende jaar geldig belastingmerk, dat volgens de voorschriften van Onzen Minister van Financiën aan het rijwiel moet zijn bevestigd.

 

Artikel 3.

De bepaling van het vorige artikel is ook van toepassing wanneer een rijwiel door middel van een hulpmotor wordt voortbewogen.

 

Artikel 4.

Een belastingmerk wordt niet  vereischt voor:

 

  • A. kinderrijwielen waarvan de wielen met andere dan luchtbanden zijn bekleed, mits de omtrek der banden niet grooter is dan 5 cM.;
  • B. driewielige rijwielen, kennelijk bestemd voor gebruik door gebrekkige personen;
  • C. dienstrijwielen der Land- of Zeemacht, die van het daarvoor vastgestelde kenmerk zijn voorzien en bereden worden door militairen in uniform;
  • D. dienstrijwielen van het staatsbedrijf van de Posterijen, de Telegraphie en Telephonie, die van het daarvoor vastgestelde kenmerk zijn voorzien en bereden worden door ambtenaren van dat staatsbedrijf, gekleed in uniform of voorzien zijn van hun ambtelijk onderscheidingsteken;
  • E. rijwielen, die bereden worden door ambtenaren der Rijks of gemeentepolitie in uniform;
  • F. rijwielen, die bereden worden door hier te lande hunne functie uitoefenende diplomatieke en beroepsconsulaire ambtenaren van vreemde mogendheden, leden van hun gezin en bij hen inwonende in hun dienst zijnde personen, alsmede aan de hier te lande gevestigde gezantschappen en consulaten verbonden kanselarij-beambten: allen mits zij vreemdeling zijn en overigens binnen het Rijk geen bedrijf of beroep uitoefenen, en onder voorwaarde van wederkeerigheid, indien door den Staat, tot welken die personen behooren, een rijwielbelasting wordt geheven:
  • G. rijwielen, die bereden worden door niet hier te lande wonende personen, die tijdelijk en niet langer dan drie achtereen volgende maanden binnen het Rijk verblijven; hieronder niet begrepen personen, die voor hun beroep of om andere reden geregeld binnen het Rijk komen.

Onze Minister van Financiën geeft de noodige voorschriften betreffende de wijze,   waarop de aanspraak op vrijstelling volgens letter E of F desverlangd moet worden getoond.

 

Artikel 5.

 

 

Hij die op den openbare weg een rijwiel bereidt, dat niet of volgens de bij art.2 bedoelde voorschriften van het vereischte belastingmerk is voorzien, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijf en ten hoogste vijf en twintig gulden.

 

Hij die op den openbare weg een rijwiel berijdt, dat voorzien is van een voor kostelooze uitreiking bestemd belastingmerk, wordt, indien niet blijkt, dat zoodanig merk aan  hem is uitgereikt, gestraft met geldboete van ten minste tien en ten hoogste honderd gulden. De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtreding.

 

Artikel 6.

 

De in zake invoerrechten en accijnzen geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van geldboeten zijn ook bij de toepassing van deze wet van kracht.

 

 

De geldboeten zijn verhaalbaar op het rijwiel, waarmede de overtreding is gepleegd, onverschillig wiens eigendom het is.

 

 

Artikel 7.

Met het opsporen van overtredingen dezer wet zijn belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen en de ambtenaren van Rijks- en gemeente-politie.

Zij zijn bevoegd ieder rijwiel, dat zij op den openbaren weg aantreffen, te onderzoeken. Wordt het bereden, dan zijn zij bevoegd daartoe den berijder te doen stilhouden en hem desnoods met geweld tot stilstand te dwingen. Bij ontdekking eener overtreding dezer wet zijn zij bevoegd het rijwiel in beslag te nemen en op te brengen naar het naastbijgelegen ontvangkantoor der accijnzen. De ontvanger heft, desverlangd, het beslag op tegen zekerheidstelling voor het maximum der geldboete.

 

Artikel 8.

De feiten strafbaar volgens deze wet, worden vanwege Onzen Minister van Financiën vervolgd op de wijze, bedoeld bij art. 141, 2e van het Wetboek van Strafvordering. De daartoe vereischte of daaruit voortvloeiende werkzaamheden, die tot de bevoegdheid van een deurwaarder behooren, worden verricht door een ambtenaar der accijnzen.

Zoolang de bekeurde niet is gedagvaard, kan hij door of vanwege den Minister tot transactie worden toegelaten.

 

Artikel 9.

De bij artikel 1 bedoelde belastingmerken worden voor de toepassing van den Elfden Titel van het Tweede Boek van Strafrecht beschouwd als van rijkswege uitgegeven zegels.

 

Artikel 10.

Aan $ 3 van artikel 31 bis der wet van 16 April 1896 (Staatsblad No. 72) aangevuld bij de wet van 3 April 1909 (Staatsblad No. 95), wordt – met vervanging van de punt aan het einde van die paragraaf door een kommapunt – een nieuwe alinea toegevoegd, luidende:

d. rijwielen, waarop of waaraan een hulpmotor is aangebracht.

 

Artikel 11.

Deze wet kan worden aangehaald onder den naam “Rijwielbelastingwet”, onder bijvoeging van den jaargang en het nummer van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.

 

Artikel 12.

Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen dag en vervalt met ingang van den eersten Januari 1930.

  

 

——————–

 

STAATSBLAD  346

VAN HET

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

(No.3 46.) Besluit van den 8sten Juli 1924, betreffende het in werking treden der Wet Van 20 Juni 1924 (Staatsblad no 306) tot heffing eener belasting op rijwielen.

WIJ WILHELMlNA, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Financiën van 23 Juni 1924, no 10, Accijnzen;

Gelet op artikel 12 der wet van 20 Juni 1924 (Staatsblad no. 306) tot heffing eener belasting op rijwielen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepaalen:

Eenig artikel.

De wet van 20 Juni 1924 (Staatsblad no. 306) treedt in werking met ingang van 1 Augustus 1924.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

den 8sten Juli 1924

WIL HEL MIN A.

De Minister van Financiën, H. COLlJN 

 

——————–