STAATSBLAD 464

van het

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

(No. 464.) wet van den 30ste0 December 1926, tot bet beffen van eene belasting en treffen verdere voorzieningen ten behoeve van openbare verkeerswegen te land.

WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alszoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is van Rijkswege eene belasting te heffen en verdere voorzieningen te treffen ter verzekering van den aanleg, de verbetering in het onderhoud van openbare verkeerswegen te land;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1.

Belastingbepalingen.

§ 1. Grondslag en bedrag der belasting.

Artikel 1.

1.     Onder den naam "Wegenbelasting" zal eene belasting worden geheven ter zake van het rijden met een motorrijtuig op den openbaren weg.

2.     Onder motorrijtuigen worden in deze wet verstaan alle voertuigen bestemd om uitsluitend of mede door eene mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig, anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen.

Artikel 2.

De belasting is verschuldigd door hem, die het motorrijtuig bedient, waarmede op den openbare weg wordt gereden.

Artikel 3.

1.     De belasting bedraagt voor een vol jaar:

a.      Voor een rijwiel, waarop of waaraan een hulpmotor is aangebracht,

                    onverminderd de rijwielbelasting,                                                                        f. 3.-

b.    Voor een motorrijtuig op twee wielen, niet vallende onder de omschrijving van letter a; indien het eigen gewicht niet meer bedraagt Indien het eigen gewicht bedraagt meer dan 60 kilogram, doch niet

                     meer dan 120 kilogram bedraagt;                                                                         f. 30.-

c.    Voor een motorrijtuig op meer dan twee wielen, niet vallende onder de omschrijving van letter a en ingericht voor personenvervoer:

Indien het is ingericht voor het vervoer van niet meer dan 1 personen, den bestuurder inbegrepen, per 100 kilogram eigen gewicht

f. 6.-, doch ten minste                                      f. 48.-

indien het is ingericht voor het vervoer van niet meer dan 1 personen,

                    den bestuurder inbegrepen, per 100 kilogram eigen gewicht.                          f. 8.-

d.     Voor een motorrijtuig op meer dan twee wielen, niet vallende onder



de omschrijving van letter c, per 100 kilogram eigen gewicht

               f.6.- doch ten minste                                                                                                   f. 48.-

2.          of belasting voor een motorrijtuig op twee wielen wordt, indien

             door middel van dat motorrijtuig een rij- of voertuig of een zijspan

             wordt voortbewogen

 

         verhoogt met .. _ ………………. .      f. 10,-

3.      De belasting voor een motorrijtuig op meer dan twee wielen wordt, Indien door middel van dat motorrijtuig een rij- of voertuig anders dan langs spoorstaven wordt voortbewogen, verhoogd. Die verhooging Bedraagt voor een rij- of voertuig met een eigen gewicht van:

a.      Niet meer dan 1200 kilogram                                f. 18,-

b.     Meer dan 1200 en niet meer dan 4000 kilogram     f. 60,-

c.      Meer dan 4000 kilogram                                          f. 90,-

4.      De belasting voor een motorrijtuig op meer dan twee wielen wordt, indien door middel van dat motorrijtuig meer dan één rij- of voertuig wordt voortbewogen, voor elk dier rij- of voertuigen overeenkomstig het vorige lid verhoogd.

5.      De in het eerste lid onder c en d en de in het tweede en deerde lid genoemde bedragen gelden voor rij- of voertuigen, waarvan de wielen zijn voorzien van luchtbanden. Die bedragen worden verhoogd, indien de wielen van het rij- of voertuig zijn voorzien van cushionbanden, met 30%, van massieve rubberbanden met 60% en van metalen banden met 100%.

6.      Indien niet alle wielen van een rij- of voertuig voorzien zijn van banden van dezelfde soort, geldt de minst elastische van de gebruikte banden als maatstaf voor de berekening van de verschuldigde belasting.

7.      Onze Minister van Waterstaat bepaalt, wat onderscheidenlijk onder luchtbanden, cushionbanden en massieve rubberbanden wordt verstaan.

8.      Voor de toepassing van dit artikel wordt een metalenband minder elastisch dan een massieve rubberband minder elastisch dan een cushionband en een cushionband minder elastisch dan een luchtband geacht te zijn.

9.      Onder het eigengewicht wordt verstaan het gewicht van het volledig uitgeruste voertuig.

10.   Voor de toepassing van het eerste lid, letters b, c en d, en van het derde lid worden hoeveelheden van 50 kilogram en daar beneden verwaarloosd-en hoeveelheden boven 50 kilogram tot beneden 100 kilogram voor 100 kilogram gerekend.

Artikel 4.

1.      Het belastingjaar begint-met 1 Mei en eindigt met 30 April.

2.      Indien de belastingplicht aanvangt in het tweede, derde of vierde kwartaal van het belastingjaar, is de belasting verschuldigd onderscheidenlijk voor %, ~ of van hetgeen over een vol jaar verschuldigd zoude zijn.

3.      Met afwijking van het bepaalde in artikel 3, alsmede in de voorgaande leden van dit artikel wordt desverlangd aan houders van motorrijtuigen vergund om telkens in een kwartaal, aanvangende op den 1sten van de maand met een motorrijtuig te rijden of te doen rijden op den openbare weg tegen betaling van van hetgeen voor dat motorrijtuig over een vol jaar verschuldigd zou zijn, vermeerderd met 3%.

4.      Door Onzen Minister van Financiën kan in bijzondere gevallen worden vergund om gedurende ten hoogste 60 dagen per jaar, te rekenen van af het tijdstip, waarop de belastingkaart wordt afgegeven, met een motorrijtuig te rijden of te doen rijden op den openbare weg tegen betaling van van hetgeen voor dat motorrijtuig over een vol jaar verschuldigd zou zijn, vermeerderd met 3%.

Met afwijking van de artikelen 3 en 4 wordt aan niet binnen het Rijk wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen vergund om gedurende 3, 15, 30 of 60 dagen, die niet in één belastingjaar behoeven te vallen, met een motorrijtuig op den openbare weg te rijden of te doen rijden, tegen

betaling van respectievelijk 1/40, 1/20, 1/10 of 1/5 van de belasting, die voor dat motorrijtuig, ingevolge artikel 3, voor een vol jaar verschuldigd zou zijn, met inbegrip van de in dat artikel vermelde verhooging van de belasting, met dien verstande, dat de belasting nimmer minder dan f. 0.25 zal bedragen.

Artikel 6.

1. Belasting is niet verschuldigd voor:

a.      motorrijtuigen, gehouden door diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van vreemde mogendheden, door de hun toevoegende binnen het Rijk wonende ambtenaren en door de bij hen inwonende in hun dienst zijnde en binnen het Rijk wonende personen; allen, mits zij vreemdeling zijn en overigens binnen het Rijk geen bedrijf of beroep uitoefenen;

b.     motorrijtuigen in het bedrijf van fabrikanten van of handelaren in die voorwerpen en deel uitmakende van hun handelsvoorraad, die op den openbare weg uitsluitend worden gebezigd tot het doen van proefritten of worden vervoerd rechtstreeks van of naar de fabriek of het magazijn, naar of van de plaats van aflevering binnenlands of naar of van de grens;

c.      motorrijtuigen, gehouden door openbare lichamen, uitsluitend ten dienste van de politie, van de brandweer, van het ziekenvervoer, van den keuringsdienst van waren, van den vleeschkeuringsdienst, van de vernietiging van een besmettelijke ziekten gestorven vee of van het wegenonderhoud;

d.      motorrijtuigen, welke uit den aard bestemd zijn om elders dan op wegen te worden gebruikt, indien die uitsluitend ten dienste van het eigen landbouwbedrijf van den houder of van de eigen landbouwbedrijven van de houders van den openbare weg gebruik maken;

e.      stoom en motorwalsen.

2.      Onze Minister van Financiën kan in bijzondere gevallen bepalen, dat eene rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap, vereeniging of stichting voor de toepassing van het bepaalde onder c van het eerste lid als openbaar lichaam wordt beschouwd.

3.      Wij behouden Ons voor, bij algemeenen maatregel van bestuur, onder de noodige voorzieningen, aan niet binnen het Rijk wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen geheel of gedeeltelijk vrijstelling van belasting te verleenen met inachtneming evenwel van het beginsel van weederkeerigheid, indien in het land waar die houders wonen of gevestigd zijn eene soortgelijke belasting ter zake van het rijden met motorrijtuigen wordt geheven.

4.      Wij behouden Ons voor, in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk vrijstelling van belasting te verleenen.

§ 2. Aangifte Belastingkaart.

Artikel 7.

1.      De houder van een motorrijtuig, die binnen het Rijk woont of is gevestigd, is, voordat hij met het rijtuig op den openbare weg rijdt of doet rijden, verplicht dienaangaande aangifte te doen ten kantore van den ontvanger der directe belastingen, tot wiens dienstkring zijne woonplaats of plaats van vestiging behoort.

2.      De houder van een motorrijtuig, die niet binnen het Rijk woont of is gevestigd, of, indien deze niet aan te wijzen is, de bestuurder van het motorrijtuig, is verplicht, voordat hij met

3.      het rijtuig op den openbare weg rijdt of doet rijden, dienaangaande aangifte te doen ten kantore der invoerrechten, waar de douaneformaliteiten worden vervuld, of op een kantoor der directe belastingen te zijner keuze.

3.      Indien een reeds aangegeven motorrijtuig eene verandering heeft ondergaan, ten gevolge waarvan het niet meer beantwoordt aan de omschrijving, welke daarvan in de aangifte is gegeven, of wel indien de in de aangifte vermelde duur is overschreden of staat overschreden te worden, is de houder verplicht opnieuw aangifte te doen, vóórdat hij weder met het rijtuig op den openbaren weg rijdt of doet rijden.

 

Artikel 8.

1.      De aangifte geschiedt voor ieder motorrijtuig afzonderlijk door inlevering van een behoorlijk ingevuld formulier, vermeldende:

a.      De kenteekens, bedoeld in art. 9, eerste lid, sub 1e• der Motor- en Rijwielwet of de op of aan het motorrijtuig aangebrachte soortgelijke buitenlandsche kenteekens;

b.     Andere kenmerken, noodig voor het vaststellen van de identiteit van het motorrijtuig;

c, De categorie, waartoe het motorrijtuig behoort volgens de onderscheidingen van art. 3;

d, Andere gegevens die voor de uitvoering der wet noodig of van nut kunnen zijn.

2.      De aangifte kan, namens hem die daartoe gehouden is, door een ander worden onderteekend, mits krachtens volmacht of met vergunning van den ontvanger.

Artikel 9.

1.      De verschuldigde belasting moet bij het doen der aangifte worden voldaan.

2.      Op de aangifte wordt door den ontvanger eene belastingkaart afgegeven, welke dient als bewijs van betaling.

3.      Voor het verkrijgen van eene kostelooze belastingkaart zal door de in art. 6 bedoelde houders van motorrijtuigen ten genoegen van den ontvanger zijn aan te toonen, dat zij voor vrijstelling van belasting in aanmerking komen.

Artikel 10.

1.      Onze Minister van Financiën stelt de modellen van het formulier van aangifte en van de belastingkaart vast.

2.      De belastingkaart bevatten dezelfde gegevens als in de aangifte zijn vermeld.

3.      Aangifteformulieren worden kosteloos verkrijgbaar gesteld op de in art. 7 vermelde ontvangkantoren.

Artikel 11.

1.      Indien eene aangifte betrekking heeft op een motorrijtuig, dat eene verandering, als bedoeld in art. 7, derde lid, heeft ondergaan, of op een motorrijtuig, hetwelk bestemd is om een ander motorrijtuig, waarvoor reeds aan den zelfden houder een belastingkaart voor het loopende tijdvak is afgegeven, te vervangen, wordt tegen intrekking van de vroeger uitgereikte belastingkaart op de aangifte eene nieuwe belastingkaart voor het nog niet verstreken gedeelte van het loopende tijdvak afgegeven.

a.      Indien de belasting voor het in de aangifte vermelde motorrijtuig niet hooger is dan die voor het in de ingetrokken belastingkaart omschreven motorrijtuig, zonder betaling;

b.      Indien de belasting voor het in de aangifte vermelde motorrijtuig hooger is dan die voor het in de ingetrokken belastingkaart vermelde motorrijtuig; tegen bijbetaling van het verschil in belasting.

2.      Indien eene aangifte betrekking heeft op een motorrijtuig, waarvoor reeds aan een anderen houder eene niet onder het 3elid van artikel 9 vallende belastingkaart voor het loopende tijdvak is afgegeven, en deze kaart bij het doen der aangifte ter intrekking wordt aangeboden, wordt op de aangifte kosteloos eene nieuwe belastingkaart voor het nog niet verstreken gedeelte van het loopende tijdvak uitgereikt.

Artikel 12.

1.      Aan dengene, wiens belastingplicht in den loop van het belastingjaar eindigt, wordt op zijne aanvraag, mits hij daarbij de belastingkaart ter intrekking aanbiedt, teruggaaf van betaalde belasting verleend over de op het tijdstip van inlevering der aanvraag nog niet ingetreden kwartalen.

2.      De aanvraag wordt ingeleverd bij den inspecteur der directe belastingen, in wiens inspectie de belastingkaart afgegeven is.

3.      De teruggaaf wordt verleend door den ontvanger, te wiens kantore de belasting is betaald, op machtiging van den in het tweede lid genoemde inspecteur.

Artikel 13.

De inspecteur der directe belastingen is bevoegd om op schriftelijk verzoek van den belanghebbende, die aannemelijk maakt, dat een aan hem afgegeven belastingkaart verloren gegaan of ontvreemd is, een duplicaat van die belastingkaart te doen afgeven.

Artikel 14.

De inspecteur der directe belastingen is bevoegd ambtshalve teruggaaf te doen plaats hebben van ten onrechte betaalde belasting.

§ 3. Toezicht.

Artikel 15.

1.      De bestuurder van een motorrijtuig, die daarmede op den openbare weg rijdt, is verplicht op de eerste vordering van de in art. 23 genoemde ambtenaren het rijtuig te doen stilhouden, alsmede een bij dat rijtuig behoorende, ten name van den houder staande, belastingkaart te vertoonen, waarop de kenmerken van het motorrijtuig op de juiste wijze zijn omschreven en waaruit blijkt, dat de voor dat motorrijtuig verschuldigde belasting is betaald, dan wel dat daarvoor geen belasting verschuldigd is.

2.      Op gelijke vordering is de houder of bestuurder van een motorrijtuig verplicht aan genoemde ambtenaren toegang tot het motorrijtuig te verschaffen, te gedoogen dat zij de kenmerken van het motorrijtuig opnemen en hun aannemelijk te maken, dat de vertoonde belastingkaart op het motorrijtuig betrekking heeft.

Artikel 16.

1.      Tot het opnemen en onderzoeken van de motorrijtuigen hebben de in art. 23 genoemde ambtenaren toegang tot alle bergplaatsen.

2.      Toegang volgens het eerste lid op werkdagen worden geëischt van des voormiddags acht uur tot zonsondergang.

3.      De gebruikers der bergplaatsen en de houders der motorrijtuigen zijn verplicht, desgevraagd de aanwijzingen te geven, die voor de opneming en het onderzoek noodig zijn.

4.      Wordt de toegang belet of geweigerd, dan verschaffen de volgens het eerste lid tot den toegang bevoegde personen zich dien, desnoods met behulp van den sterke arm, na bekomen machtiging van den burgemeester of van den kantonrechter, die daarbij een persoon aanwijst om hen te vergezellen. Zij maken alsdan van het gebeurde proces-verbaal op, dat binnen vier en twintig uren aan den gebruiker van de bergplaats in afschrift wordt beteekend.

§ 4. Strafrechtelijke bepalingen. Invordering van niet betaalde belasting.

Artikel 17.

1.      De houder van een motorrijtuig, die daarmede op den openbare weg rijdt of doet rijden, zonder dat daarvoor de verschuldigde belasting is voldaan, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.

2.      In het geval, bedoeld in het vierde lid van art. 4 wordt de verschuldigde belasting slechts geacht te zijn voldaan, op de betreffende belastingkaart door den houder van het motorrijtuig op door Onzen Minister van Financien te bepalen wijze en datum, waarop wordt gereden, is aangeteekend.

Artikel 18.

Hij, die in de aangifte, bedoeld in art. 7, een onjuiste opgave doet, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.

Hij, die in de aangifte, bedoeld in art. 7, een onjuiste opgave doet, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.

Artikel 19.

Het niet of niet volledig nakomen van de verplichtingen, opgelegd bij art. 15, of bij een algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in art. 42, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Artikel 20.

Het beletten of weigeren van toegang aan personen, die volgens art. 16 tot dien toegang bevoegd zijn, alsmede het niet nakomen van de verplichting, opgelegd bij het derde lid van vermeld artikel, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Artikel 21.

Indien een feit, strafbaar volgens de art. 17, 18, 19, of 20, is gepleegd door een naamlooze vennootschap, eene coöperatieve of andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging, eene onderlinge verzekerings- of waarborgmaatschappij of eene stichting, wordt de strafvervolging ingesteld en wordt de straf uitgesproken tegen leden van het bestuur.

Artikel 22.

De feiten, strafbaar volgens deze wet, worden beschouwd als overtreding. Artikel 23.

1.      Met de opsporing van de overtredingen dezer wet zijn, onverminderd het bepaalde bij art. 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren van de Rijks- en gemeentepolitie, de ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, alsmede de door Onzen Minister van Waterstaat aan te wijzen ambtenaren van den Rijks- en van den Provincialen Waterstaat.

2.      Zij maken van hunne bevindingen proces-verbaal op, dat den bekeurde wordt beteekend op de wijze, voorgeschreven bij de art, 586 en 587 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 24.

1.De feiten, strafbaar volgens de bepalingen, dezer wet, worden vanwege Onzen Minister van Financien vervolgd op de wijze, omschreven in den zesden titel van het vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering.

 

2.      Wanneer is aan te nemen, dat bij den bekeurde geen opzet tot ontduiking van belasting heeft bestaan, kan deze, zoolang hij niet is gedagvaard, door of vanwege Onzen evengenoemde Minister tot transactie worden toegelaten, onverminderd zijn recht om overeenkomstig art. 74, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht de vervolging te voorkomen.

Artikel 25.

Bij het instellen van eene bekeuring wegens het niet of niet volledig nakomen van de verplichting, opgelegd bij art. 15, zijn de ambtenaren bevoegd om het motorrijtuig in beslag te nemen, indien de bekeurde niet te hunnen genoegen aannemelijk maakt, dat hij binnen het Rijk woont of gevestigd is.

Artikel 26.

1.      De krachtens het vorige artikel in beslag genomen motorrijtuigen worden gesteld onder bewaring van een ontvanger der directe belastingen of der invoerrechten. Zij zijn verbonden en executabel voor de verschuldigde belasting en voor de door den bestuurder beloopen boete.

2.      Het beslag wordt, tegen betaling van de gemaakte kosten van transport, bewaring en onderhoud, opgeheven, zoodra den ontvanger blijkt, dat de bekeurde binnen het Rijk woont of gevestigd is, of zoodra ten genoegen van den ontvanger zekerheid is gesteld voor de verschuldigde belasting en voor de boete, welke den bestuurder mocht worden opgelegd.

Artikel 27.

1.      Wanneer eene veroordeeling krachtens art. 17 onherroepelijk is geworden of wanneer het recht tot strafvordering krachtens art. 74, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is vervallen, stelt de ontvanger, te wiens kantore de aangifte had moeten zijn of is gedaan, en, voor zooveel betreft motorrijtuigen, gehouden door niet binnen het Rijk wonenden of gevestigden, een door Onzen Minister van Financien aan te wijzen ontvanger, het bedrag der verschuldigde of meer verschuldigde belasting, welke in dit geval steeds over een vol jaar berekend wordt. Ambtshalve vast en deelt het aldus vastgestelde bedrag den houder bij aangeteekende brief mede.

2.      Het vastgestelde bedrag moet binnen dertig dagen nadat de brief ter post is bezorgd, worden voldaan ten kantore van den ontvanger, die den brief verzond, tenzij inmiddels betaling reeds heeft plaats gehad en de belastingplichtige dit te genoegen van dien ontvanger aantoont.

3.      Heeft de betaling binnen den gestelde termijn niet plaats gehad, dan vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit, medebrengende het recht van parate executie.

4.      Het dwangbevel wordt beteekend en ten uitvoer gelegd op de wijze, bij het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten bepaald.

5.      De beteekening en de tenuitvoerlegging geschieden door ambtenaren der directe belastingen.

6.      De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden geschorst door een verzet, beteekend aan den ontvanger, door wien het dwangbevel is uitgevaardigd.

7.      Dit verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de aangeteekende brief niet ontvangen zou zijn.

8.      Het exploit van verzet houdt in dagvaardingen van den ontvanger als vertegenwoordigende den Staat, voor de rechtbank van het arrondissement, waarin het kantoor van den ontvanger is gevestigd.

9.      Na de dagvaardingen wordt de ontvanger als eischer, de dagvaardende partij als gedaagde beschouwd.

Artikel 28.

1.      Bij inbeslagneming krachtens het vorige artikel kan in handen van den ambtenaar worden betaald.

2.      De kosten van vervolging worden berekend volgens de bepalingen betreffende de kosten van vervolging inzake directe belastingen. Het recht van parate executie strekt zich uit tot deze kosten.

Artikel 29.

Na de invordering van de belasting en van de kosten van vervolging reikt de ontvanger aan hem, te wiens laste de executie plaats vond, eene belastingkaart uit.

HOOFDSTUK 11.

Wegenfonds

Artikel 30.

1.     Er wordt een fonds ingesteld ten behoeve van den aanleg, de verbetering, en het onderhoud van de krachtens deze wet aan te wijzen wegen.

2.      Van dit fonds, genaamd "Wegenfonds" worden de inkomsten en de uitgaven jaarlijks bij afzonderlijke begrooting vastgesteld. Het beheer van die begrooting wordt gevoerd door Onzen Minister van Waterstaat en is onderworpen aan dezelfde regelen als het beheer van de algemeene begrooting der Staatsuitgaven.

Artikel 31.

Tot de inkomsten van het wegenfonds behooren:

1.      een telken jare vast te stellen uitkeering uit 's Rijks middelen;

2.      de opbrengst der wegenbelasting in het begrootingsjaar;

3.      de opbrengst der rijwielbelasting in het begrootingsjaar;

4.      vergoedingen in kapitaal of in den vorm van jaarlijksche bijdrage, verschuldigd aan het Rijk Terzake van overneming in beheer en onderhoud van wegen door het Rijk;

5.      voorschotten, door het Rijk aan het wegenfonds verstrekt;

6.      het batig saldo der laatst afgesloten rekening van ontvangsten en uitgaven wegens de bij artikel 30 bedoelde begrooting.

Artikel 32.

Ten laste van het wegenfonds worden gebracht:

1.      De uitgaven voor aanleg, verbetering of onderhoud van de bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde wegen, voor zoover die op een wegenplan, als bedoeld in art. 33 of 34, voorkomen;

2.      Uitkeeringen aan de provinciën tot een door Ons te bepalen gedeelte, voor de provinciën gezamenlijk, van de ten bate van het wegenfonds komende opbrengst van de wegenbelasting en van de rijwielbelasting in het begrootingsjaar, welk gedeelte in de eerste vijf jaren ten hoogste 30% in de volgende vijf jaren ten hoogste 35% en in de daarop volgende vijf jaren ten hoogste 40% van die opbrengst zal bedragen.

3.      Uitkeeringen voor onderhoud en verbetering van bij anderen dan het Rijk in beheer zijnde wegen of gedeelte van wegen, welke op het Rijkswegenplan, genoemd in art. 33 voorkomen;

4.      Vergoedingen in kapitaal of in den vorm van jaarlijksche bijdragen, verschuldigd door het Rijk terzake van overneming in beheer en onderhoud van wegen door anderen;

5.      Rente en aflossing van voorschotten, door het Rijk aan het wegenfonds verstrekt;

6.      Bijdragen, welke mochten worden verleend voor afloop van wegtollen, krachtigens octrooi of concessie geheven;

7.      Het nadeel is saldo der laats afgesloten rekening van ontvangsten en uitgaven wegen de bij artikel 30 bedoelde begrooting.

Artikel 33.

1.      Door Ons wordt, Gedeputeerde Staten der Provinciën gehoord, een "Rijkswegenplan" vastgesteld, bevattende de bestaande en de aan te leggen wegen, welke hoofdverbindingen zullen vormen voor doorgaand verkeer met motorrijtuigen. Tot die wegen worden gerekend te behooren de rijwielpaden, dienende om het verkeer over die wegen, voor zoover het rijwielen betreft, te ontlasten, ongeacht of die paden al of niet deel uitmaken van die wegen.

2.      Het Rijkswegenplan behelst een staat van de in het vorig lid bedoelde wegen, bevattende aanduiding omtrent den eigendom, het beheer en het onderhoud, de wijze, waarop de verbetering der daarvoor in aanmerking komende wegen en de aanleg van wegen zal plaats vinden, zoomedeeen toelichtende kaart.

3.      Het Rijkswegenplan wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

4.      Het Rijkswegenplan wordt ten minste eenmaal in den tien jaren herzien.

Artikel 34.

1.      Door de Staten van iedere Provincie wordt een "Provinciaal wegenplan" vastgesteld, bevattende;

a.      De bestaande en aan te leggen wegen, welke naast de wegen, voorkomende op het Rijkswegenplan, in de Provincie noodig zijn als verbindingen voor doorgaand verkeer met motorrijtuigen;

b.     De wegen, die voor het algemeen verkeer eerlang betekenis zullen krijgen. Ten aanzien van die wegen geldt mede het bepaalde in den tweede zin van het eerste lid van art.33.

2.      Het Provinciaal wegenplan behelst een staat van de in het vorige lid bedoelde wegen, bevattende aanduiding omtrent den eigendom, het beheer en het onderhoud, de wijze

 

3.      waarop de verbetering der daarvoor in aanmerking komende wegen en de aanleg van wegen zal plaats vinden, zoomede een toelichtende kaart. Omtrent de inrichting van het planden door Onzen Minister van Waterstaat nadere voorschriften gegeven.

4.Het Provinciaal wegenplan behoeft Onze goedkeuring. De artikelen 98 en 99 der Provinciale wet zijn ten deze van toepassing. Wordt door Ons de goedkeuring aan een provinciaal wegenplan onthouden, dan wordt door de Provinciale Staten, met inachtneming van Onze met redenen omkleede beslissing, in het ontbrekende voorzien binnen zes maanden na de dagteekening van die beslissing.

5.      Het door Ons goedgekeurde provinciaal wegenplan wordt in het provinciaal blad afgekondigd.

6.      Het provinciaal wegenplan wordt ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.

Artikel 35.

1.      Jaarlijks vóór 1 Mei wordt door Ons vastgesteld een voor het alsdan loopende begrootingsjaar geldende lijst, bevattende;

a.      De bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde op het Rijkswegenplan of op een goedgekeurd provinciaal wegenplan voorkomende bestaande wegen, voor zoover zij in een voldoenden staat van onderhoud verkeeren en niet voor motorrijtuigen zijn gesloten verklaard, of voorzoover hunne verbetering in het afgeloopen kalenderjaar is ter hand genomen of voortgezet;

b.      De ontworpen wegen, op het Rijkswegenplan voorkomende, waarvan de aanleg is ter hand genomen en regelmatig is of wordt voortgezet.

2.      Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten van elke Provincieën voor het alsdan loopende begrootingsjaar geldende lijst voorloopig vast, bevattende:

a.      De bij anderen dan het Rijk in beheer en onderhoud zijnde op het Rijkswegenplan of het goedgekeurd provinciaal wegenplan voorkomende bestaande wegen, voorzoover zij in een voldoende staat van onderhoud verkeeren en niet voor motorrijtuigen zijn gesloten verklaard, of voorzoover binne verbetering in het afgeloopen kalenderjaar overeenkomstig het Rijkswegenplan onderscheidenlijk het provinciaal wegenplan is ter hand genomen of voortgezet;

b.      De ontworpen wegen, op het goedgekeurd provinciaal wegenplan voorkomende, waarvan de aanleg is ter hand genomen en regelmatig is of wordt voortgezet.

3.      Onder aanlag wordt mede verstaan de aankoop of overneming der benoodigde grond.

4.      De in het tweede lid bedoelde lijsten worden vóór 1 Maart bij Ons ingezonden en worden door Ons, al dan niet gewijzigd, vóór 1 Mei vastgesteld. De beslissing kan door Ons bij een vóór laatstgenoemd tijdstip te nemen, met redenen omkleed besluid, worden verdaagd.

5.      Wegen, op welke tol wordt geheven kunnen niet op de wegenlijst worden geplaatst.

6.      Bij de vaststelling der wegen lijsten wordt op die lijsten de volle lengte der wegen in rekening gebracht voor die wegen, welke in overeenstemming zijn met de omschrijving op het wegenplan, of welker verbetering of aanlag overeenkomstig de omschrijving op dat plan in het afgeloopen jaar is ter hand genomen of wordt voortgezet. Voor wegen, die nog niet in overeenstemming zijn gebracht met de omschrijving op het wegenplan en waarvan de verbetering in het afgeloopen jaar niet overeenkomstig de omschrijving op dat plan ter hand genomen voortgezet, wordt de lengte slechts in zooverre in rekening gebracht als door Ons zal worden bepaald.

7.      Het model van de lijsten wordt door Onzen Minister van Waterstaat vastgesteld.

 

Artikel 36.

1.      Van het bedrag, dat op de begrooting van het wegenfonds is uitgetrokken wegens opbrengst der wegenbelasting en der rijwielbelasting. wordt in den loop van het begrootingsjaar een gedeelte aan de provinciën uitgekeerd. Mocht blijken, dat de opbrengst meer of minder dan het begroote bedrag bedraagt, dan heeft in het volgende jaar verrekening plaats.

2.      Het aan de provinciën gezamenlijk toekomende gedeelte wordt voor die provinciën binnen de grenzen genoemd in artikel 32, 2ezoo mogelijk vóór 1 Juli van het begrootingsjaar door Ons vastgesteld in verhouding van het totaal der lengte van de wegen vermeld op de wegen lijsten, bedoeld in artikel 35, tweede lid, tot het totaal van de lengte dezer wegen en van die, vermeld op de wegen lijst, bedoeld in artikel 35, eerste lid, te zamen.

Artikel 37.

1.      Het aandeel van elk der Provincië in de uitkeering van de belastingopbrengst, als bedoeld in art. 32, 2e., wordt door Onzen Minister van Waterstaat bepaald met ingang van het volgende.

2.      De helft van het aandeel van alle Provinciën te zamen wordt onder de Provinciën verdeeld tot de totale lengte der wegen, voorkomende op de voor het begrootingsjaar vastgestelde lijst, bedoeld in het tweede lid van art. 35.

3.      De andere helft van het aandeel van alle Provinciën te zamen wordt onder de Provinciën verdeeld in evenredigheid van de belastingopbrengst in elk Provincie in het begrootingsjaar, vermenigvuldigd met de verhouding van de lengte der wegen, voorkomende op de voor dat begrootingsjaar vastgestelde lijst dier Provincie, bedoeld in het tweede lid van art. 35, tot de totale lengte der in die Provincie gelegen wegen, voortkomende op de in het eerste en tweede lid van art. 35 bedoelde voor dat begrootingsjaar vastgestelde lijsten.

4.      De betaalbaarstelling van het provinciaal aandeel geschiedt in door Onzen Minister van Waterstaat vast te stellen termijnen, waarvan de eerste zoo mogelijk vervalt op 1 Juli van het begrotingsjaar.

Artikel 38.

1.      Het aan de Provincie toegewezen aandeel van de in het vorige artikel genoemde uitkeering wordt ten behoeve van de op de provinciale wegenlijst voortkomende wegen verdeeld door Gedeputeerde Staten met inachtneming van de regelen of grondslagen daarvoor door de Provinciale Staten bij verordening te stellen.

2.      Van het in het vorige lid bedoelde besluit van Gedeputeerde Staten wordt aankondiging gedaan in het provinciaal blad.

3.      Van het in het eerste lid -bedoelde besluit van Gedeputeerde Staten staat voor iederen belanghebbenden onderhoudsplichtige beroep op Ons open binnen dertig dagen na den dag der aankondiging.

4.      Gedeputeerde Staten zien toe, dat de Uitkeeringen ten volle worden besteed voor aanleg. verbetering of onderhoud der wegen, voor welke zij bestemd zijn. Zij vorderen terug wat mocht blijken te veel te zijn uitgekeerd.

5.      Van het in het vierde lid bedoelde besluit van Gedeputeerde Staten staat voor den belangstellende beroep op Ons open binnen dertig dagen na den dag, waarop het besluit per aangeteekenden brief aan deze is verzonden.

6.      Het adres van beroep, bedoeld in dit artikel, wordt aan Ons gericht, maar ingediend bij Onzen Commissaris in de Provincie, die daarop den dag van ontvangst aanteekent en het adres vervolgens aan Ons opzendt. Indien het adres van beroep bij Ons mocht zijn ingediend, wordt het geacht bij Onzen Commissaris in der Provincie te zijn ingediend op den dag, waarop het bij Ons is ingekomen.

HOOFDSTUK 11I

Slotbepalingen.

 

1.      In afwijking van hetgeen is bepaald bij art. 31, 3e»r zullen tot de inkomsten van het wegenfonds behoren:

1.      30% van de opbrengst der rijwielbelasting in het jaar 1926

2.      60% van de opbrengst dier belasting in het jaar 1927; in het jaar 1928

3.      90% van de opbrengst der rijwielbelasting in het jaar 1928

2.      In art. 12 van de Rijwielbelastingwet (Staatsblad van 1924, no 306) vervallen de woorden: "en vervalt met ingang van den eersten Januari 1939".

Artikel 40.

Indien, in een der eerste vijf jaren na de totstandkoming van deze wet, ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van art. 37 het aandeel onderscheidenlijk van de provinciën Groningen en Noord-Brabant lager zou zijn dan het bedrag, dat door elk dezer provinciën in het laatst verloopen belastingjaar is ontvangen als opbrengst van de krachtens provinciale verordening geheven belasting ter zake van het rijden met motorrijtuigen, zal aan die provinciën het verschil uit het wegenfonds worden uitgekeerd, zonder dat zulks ten nadeele van de andere provinciën mag komen.

Artikel 41.

1.      Behoudens de heffing van tol wordt terzake van het rijden met motorrijtuigen en rijwielen op den openbare weg geen andere belasting geheven dan welke krachtens deze wet aan het wegenfonds ten goede komt.

2.      In afwijking van het in het eerste lid van dit artikel ten aanzien van rijwielen bepaalde kunnen de krachtens provinciale verordening thans geheven wordende belastingen ter zake van het rijden met rijwielen gehandhaafd blijven.

Artikel 42.

Voorzoover daarin bij deze wet niet is voorzien, kunnen bij algemeenen maatregel van bestuur door Ons voorschriften worden gegeven, welke ter uitvoering van de wet worden noodig geacht.

Artikel 43.

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel II Wegenbelastingwet".

Artikel 44.

Door Ons wordt bepaald, op welk tijdstip of op welke tijdstippen onderscheidenlijk de bepalingen dezer wet in werking treden. lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's Gravenhage, den 30sten December 1926 WILHELMINA

De Minister van Financiën, De Geer,

De Minister van Waterstaat, H. V.d. Vegte.

Uitgegeven den zeventiende Januari 1927.

De Minister van Justitie, J. Donner.